Best Practices for meaningful connected computing

Best Practices for meaningful connected computing

PiLOD praktijkervaringen - betekenisvol verbinden van informatie

Deze versie:
http://www.bp4mc2.org/2014-06-18
Laatste versie:
http://www.bp4mc2.org
Vorige versie:
http://www.bp4mc2.org/2014-06-06
Auteurs:
Marco Brattinga; Hans Overbeek; Arjen Santema.
Bijdragen van:
Nelleke Aders; Jeroen Baltussen; Erik van Beek; Linda van den Brink; Eric Brouwer; Diederik Dulfer; Erwin Folmer; Paul Hermans; Otto Lange; Art Ligthart; Mariëtte Lokin; Marcel van Mackelenbergh; Harmen Mantel; Marc van Opijnen; Elbert Raadsen; Marcel Reuvers; Jacques Vos.

Deze website gaat over semantiek, Linked Data, begrippenstelsels en definities. Het gaat ook over communicatie, elkaar begrijpen en hoe je iets kunt uitleggen, Iets waar we eigenlijk elk moment van de dag mee bezig zijn. Enkele voorbeelden zijn afkomstig uit kinderprogramma’s als Sesamstraat en kinderboeken als “Alice in Wonderland”. Een ‘Open mind’ die bij jonge kinderen nog aanwezig is en ‘begrip’ staan voor ons gevoel dan ook dicht bij elkaar. We willen het belang laten zien van het verbinden van administratieve en institutionele werkelijkheden met het echte leven in wat wij de natuurlijke werkelijkheid noemen.

De digitalisering van onze samenleving maakt het steeds lastiger om met een ‘open mind’ naar de samenleving te kijken. Op papier (of vastgelegd in een digitaal systeem), is er geen speelruimte meer en ligt alles vast. Er bestaat een behoefte en noodzaak om een manier te vinden om informatie met elkaar te delen op een ‘open’ manier. Met ‘open’ bedoelen we hier niet per se dat deze informatie vrij en kosteloos beschikbaar is voor iedereen. Met open informatie delen bedoelen wij: informatie delen met begrip voor mogelijke verschillen in context van die informatie. Informatie delen op een manier die voorkomt dat mensen dogmatisch gaan handelen naar de verkregen informatie. Op een manier die natuurlijke werkelijkheid voor administratieve werkelijkheid laat gaan. Mensen blijven mensen, ook in een digitale samenleving.

Een recent voorbeeld is de herziening van kindregelingen. De herziening zorgt ervoor dat alleenstaande ouders een aanvullende toeslag ontvangen, die zij voorheen ontvingen via een gemeentelijke regeling. Door een definitieverschil tussen “partner” bij toeslagen en “alleenstaande” uit de gemeentelijke regeling ontvangt niet elke alleenstaande ouder echter deze toeslag [KINDREG]. “Definitiekwestie” klinkt abstract, maar voor de betrokkenen gaat het om een werkelijke achteruitgang in inkomen.

Bron: AD, 6 juni 2014, “Bijstandsmoeders raken 240 euro per maand kwijt”

Met deze website delen wij onze inzichten en ervaringen die we de afgelopen twee jaar vanuit het Platform implementatie Linked (Open) Data (PiLOD) hebben opgedaan. We hopen dat dit leidt tot een levende, open methode die via delen en toepassen door anderen wordt aangescherpt en verbeterd en waaraan nieuwe ‘best practices’ worden toegevoegd. Dit doel hebben we verwoord in het acroniem BP4mc2 (Best Practices for meaningful connected computing). Daarin komt het delen van ‘best practices’ voor en symboliseert mc2 het nieuwe paradigma van het delen en verbinden van betekenis en informatie. De website http://www.bp4mc2.org is het platform dat dit proces ondersteunt.

Geheel in stijl met het principe van Linked Data, verbinden we onze inzichten en ervaringen zoveel mogelijk met andere informatiebronnen die op het internet beschikbaar zijn: wetenschappelijke publicaties, andere best-practices, onderzoeken en standaarden.

Deze website is bedoeld voor informatici en rechtsinformatici, in het bijzonder informatie-architecten en vakspecialisten die zich bezig houden met het verbinden van informatiesystemen en het uitwisselen van informatie.

Wij hopen echter een bredere doelgroep te interesseren voor het verbinden van de drie werkelijkheden. Uit de feedback van onze reviewgroep en onze eigen praktijkervaring halen we dat de ervaringen op deze website ook relevant kunnen zijn voor juristen, beleidsmedewerkers, managers en beheerders van registraties. We nodigen iedereen uit om samen de teksten op de website http://www.bp4mc2.org aan te vullen en relevant te maken voor deze brede doelgroep.


Inhoudsopgave


1. Inleiding

1.1 Aanleiding

1.1.1 De waarde van informatie

In onze maatschappij is de waarde van (goede) informatie altijd belangrijk geweest. Algemeen geaccepteerd is het principe dat goede bedrijfsbeslissingen, die ervoor zorgen dat een bedrijf of instelling haar doelstellingen sneller, beter, goedkoper kan bereiken, afhankelijk zijn van de toegang tot goede informatie. De afgelopen jaren is de bewustwording dat informatie van strategische waarde is voor een organisatie alleen maar toegenomen. Als gevolg daarvan is de ontwikkeling van infonomics op gang gekomen: het vakgebied dat (bedrijfs)economie en informatie bij elkaar brengt [INFONOMICS].

Infonomics kan bedrijven helpen om te komen tot betere bedrijfsresultaten, door strategische beslissingen te nemen over het beheer en vergaren van (goede) informatie. In ‘The economics of information management’ [ECONIM] worden daarbij de volgende principes neergezet voor het verbeteren van de informatie in een organisatie:

BP4mc2 geeft enkele best practices om bovenstaande voor elkaar te krijgen.

1.1.2 De waarde van informatie voor de Nederlandse overheid

Een belangrijke doelstelling van de overheid is om de overheid transparant te laten zijn, overheidsinformatie te delen en beschikbare informatie te (her)gebruiken. Het kabinet heeft haar ambitie op dit vlak kenbaar gemaakt in het ‘Actieplan open overheid’ [APOO]. In 2011 is in de ‘Aanwijzingen voor de regelgeving’ een bepaling opgenomen, die het zoveel mogelijk aansluiten op begrippen in basisregistraties voorschrijft [AANW161]. Door het hergebruiken van data worden de administratieve lasten voor burgers en bedrijven verminderd.

Voor de overheid zelf worden kwaliteitsverbeteringen en kostenbesparingen gerealiseerd. Als data meer en beter worden gebruikt, komt er meer terugkoppeling op de kwaliteit en worden minder fouten gemaakt.

1.1.3 Linked Data

Linked Data lijkt een bruikbare technologie om (overheids)data direct via het web te publiceren. In het artikel ‘Een nieuwe wereld, een nieuwe informatie architectuur’ [RIJNSANT] beschrijven Ria van Rijn en Arjen Santema de mogelijkheden die linked data bieden. Momenteel wordt data in het beste geval via webservices, maar vaak ook nog gewoon als databestand tussen organisaties uitgewisseld. Dergelijke oplossingen hebben vaak als kenmerk dat ze als point-to-point-solution zijn gerealiseerd en moeilijk op te schalen zijn naar breder gebruik. Een belangrijke reden hiervoor is dat een impliciete context wordt verondersteld waarbinnen de data bruikbaar is, zonder dat deze context met de data wordt meegeleverd.

Door data via het web te publiceren wordt deze in een keer, voor iedereen beschikbaar, vanuit een herkenbare bron gepubliceerd. Linked data kan inclusief context worden gepubliceerd. Met context wordt de uitleg van de betekenis van data en metadata bedoeld. Metadata gaan bijvoorbeeld over de wijze van inwinning, volledigheid, betrouwbaarheid, tijdigheid, en herkomst. Linked data biedt de mogelijkheid om deze metadata in dezelfde vorm te publiceren als de data zelf.

1.2 Van 20e eeuw principes naar 21e eeuw principes

In de presentatie van Christophe Guéret, gehouden op het PiLOD congres op 13 november 2013 [LIKNSP], wordt treffend geschetst hoe het delen van kennis zich in de afgelopen decennia heeft ontwikkeld door het internet. Tot 1989 waren documenten de gangbare vorm om informatie uit te wisselen. Documenten werden op bulletin boards geplaatst vanwaar je ze kon downloaden. Vervolgens moest je eerst op zoek naar software om dit te kunnen lezen (bijvoorbeeld Wordpad of WordPerfect). Via news groups werden nieuwe documenten en nieuwe versies van documenten bekend gemaakt en kon je nagaan welke verwijzingen er waren.

Het web heeft danig verandering gebracht in het kunnen zoeken, vinden en verbinden van informatie. Informatie wordt steeds meer aangeboden als webpagina die door elke browser aan de gebruiker kan worden getoond. Deze webpagina wordt gegenereerd door een applicatie die de versies beheert en navigatie naar vele andere gerelateerde informatie geautomatiseerd aanbiedt. Bijvoorbeeld linkjes naar een pagina over de auteur, andere versies van de informatie of andere pagina’s over hetzelfde onderwerp. Elke link bevat een zogenaamde Uniform Resource Identifier (URI) die iedere pagina een duidelijk adres op het internet geeft, waarnaar direct kan worden verwezen zodat informatie steeds nauwkeuriger wordt verbonden.

Maar als het om data gaat, gaan we nog vaak hetzelfde te werk als dertig jaar geleden met documenten. Als je een dataset vindt moet je op zoek naar software om deze in te lezen (meestal een database of spreadsheet programma). Je moet zelf goed bewaken dat je alle updates krijgt om de gereproduceerde dataset synchroon te houden met het origineel. En links naar andere datasets moeten voor iedere reproductie van een dataset opnieuw worden aangebracht. Dit klinkt inderdaad wel een beetje ‘jaren negentig’.

Tim Berners Lee stelt vier eenvoudige principes voor om te hanteren als je data via het web publiceert [LINKEDDATA]:

Met deze principes worden data gepubliceerd ALS webpagina’s in plaats van OP webpagina’s. Dit is fundamenteel anders dan het ‘jaren negentig-achtige’ op het web zetten van een databestand en een welgemeend ‘zoek het verder zelf maar uit!’.

1.3 BP4MC2: Een aanpak

Vanuit het W3C zijn er standaarden om betekenis vast te leggen en om datamodellen voor linked data te maken. Zo is SKOS [SKOS] (Simple Knowledge Organization System) een door het W3C vastgestelde standaard voor het definiëren van begrippen en hun samenhang in de vorm van een thesaurus of taxonomie. Voor het definiëren van een ontologie als basis voor een in RDF te representeren datamodel is OWL [OWL] (Web Ontology Language) beschikbaar.

Er zijn echter nog weinig beschreven practices waarin wordt beschreven hoe en in welke stappen een dataset kan worden omgezet naar een structuur die maximaal aansluit bij de moderne web standaarden. Deze website is de neerslag van de eerste praktische ervaringen op dit gebied in Nederland.

BP4mc2 (in het Engels: Best Practices for Meaningful Connected Computing) is een methode om vanuit juridische en andere vakmatige richtlijnen de betekenis, structuur en dynamiek van een informatiesysteem te beschrijven. Daarbij wordt gebruik gemaakt van concepten uit de semantiek en de wereld van Linked Data. BP4mc2 is open. Iedereen wordt dan ook uitgenodigd om een bijdrage te leveren aan het verbeteren en optimaliseren van BP4mc2.

1.4 Opbouw van deze website

Hoofdstuk 2 geeft een overzicht van de belangrijkste elementen in BP4mc2. In de volgende hoofdstukken worden al deze elementen uitgediept. Dat gebeurt aan de hand van het raamwerk van Seligman, Wijers en Sol. In dit raamwerk worden vier aspecten van een methode onderscheiden [MSISD]:

1.5 Schrijfconventies

Dubbele of enkele aanhalingstekens

Deze website gaat voor een groot deel over taal en het gebruik van woorden (termen) om begrippen aan te duiden. We maken dan ook regelmatig onderscheid tussen een begrip en de term die we gebruiken om dat begrip mee aan te duiden. Om niet steeds expliciet te hoeven benoemen of we de term of het begrip bedoelen maken we gebruik van enkele of dubbele aanhalingstekens.

We gebruiken dubbele aanhalingstekens om een letterlijke (letter voor letter zo gespelde) term aan te geven, bijvoorbeeld "Marco Polo" en soms ook om een letterlijk citaat weer te geven

We gebruiken enkele aanhalingstekens om aan te geven dat we een begrip gebruiken en soms ook om aan te geven dat een woord niet letterlijk maar min of meer figuurlijk wordt gebruikt of om voorbeeldzinnen aan te geven waar het om de strekking van de zin en niet de letterlijke formulering van de zin gaat.

Linked Data met of zonder beginhoofdletters

Als we het over 'Linked Data' als methode hebben, dan gebruiken we hoofdletters. Hebben we het daarentegen over 'linked data' als een verzameling gegevens die gelinkt is volgens de Linked Data principes, dan gebruiken we kleine letters.

(Linked) data: enkelvoud of meervoud

'Linked Data', de methode dus, is enkelvoud. Als we 'data' bedoelen als 'een verzameling gegevens' dan is het ook enkelvoud, maar als we het bedoelen als 'telbare gegevens' dan meervoud.


2. Overzicht

Dit hoofdstuk schetst de hoofdlijnen en belangrijkste inzichten van BP4mc2. Voor de lezer met beperkte tijd biedt het een handige samenvatting van deze website. De lezer die geïnteresseerd is in een specifiek onderwerp, kan dit hoofdstuk gebruiken als kapstok voor de onderwerpen die in de detailhoofdstukken 3 tot en met 6 worden behandeld.

2.1 Linked Data

‘Linked Data’ is een techniek waarmee data via het internet worden gepubliceerd. Daarbij worden dingen in de echte wereld gerepresenteerd door een uniforme identificatie op het internet. Daarmee kunnen mensen via het internet informatie over die dingen vinden.

2.2 Drie werkelijkheden

In BP4mc2 gaan we in op drie verschillende ‘werkelijkheden’. De ‘echte’ wereld noemen we de “natuurlijke werkelijkheid”: de werkelijkheid waarin natuurwetten gelden en die we als mensen ’natuurlijk’ vinden. De informatiesystemen met hun data en applicaties noemen we de “administratieve werkelijkheid”. En de afspraken die we met elkaar maken (in wet– en regelgeving, als mondelinge afspraken of in standaarden) noemen we de “institutionele werkelijkheid”.

In de natuurlijk werkelijkheid communiceert of abstraheert een persoon (actor) over een concreet ding. Een actor vormt een gedachte over dat ding. Op basis van die gedachte verbindt de actor het ding met een term die dat ding aanduidt. Als actoren elkaar begrijpen hebben ze bij één dezelfde term (ongeveer) dezelfde gedachte aan hetzelfde ding. De natuurlijke werkelijkheid is continu in beweging, er gebeurt van alles, dit zijn levensgebeurtenissen.

In de institutionele werkelijkheid leggen instituten hun visie (bedoeling) op een bepaald domein vast. Dingen in de natuurlijke werkelijkheid worden in de institutionele werkelijkheid geformaliseerd als feiten. Feiten worden vastgelegd in formele termen die samen een wet, een standaard of andere institutionele afspraak vormen. Een levensgebeurtenis in de natuurlijke werkelijkheid wordt geformaliseerd als één of meerdere institutionele gebeurtenissen in de institutionele werkelijkheid, bijvoorbeeld in de vorm van rechtshandelingen.

In de administratieve werkelijkheid worden deze juridische termen als linked data geordend in triples. Triples zijn korte zinnen, waarmee een uitspraak wordt vastgelegd in de vorm van “onderwerp – gezegde – (lijdend) voorwerp”. Onderwerp en lijdend voorwerp hebben daarbij een op het internet vindbare naam in de vorm van een URI. Daardoor wordt het mogelijk data over feiten, dingen en gebeurtenissen uit een bepaalde bron te verbinden met data uit andere bronnen. Het is een open structuur, die vaak wordt benoemd met het ‘triple a’ adagium ‘Anybody can say Anything about Anything’. Daar hoort dan wel bij dat het belangrijk is om te zien wat de herkomst is van een uitspraak.

BP4mc2 laat zien hoe met Linked Data de natuurlijke werkelijkheid verbonden kan worden met de institutionele werkelijkheid en hoe dit alles gerepresenteerd kan worden in een administratieve werkelijkheid waarin data over feiten en gebeurtenissen uit de verschillende werkelijkheden worden verbonden.

2.3 Samenhang tussen de drie werkelijkheden

Een levensgebeurtenis (bijvoorbeeld de geboorte van een kind) is aanleiding voor een institutionele gebeurtenis (in dit geval bijvoorbeeld het feit dat het kind een bepaalde nationaliteit heeft). Van een dergelijk feit kan slechts sprake zijn als voldaan wordt aan bepaalde voorwaarden.

Om de administratie van het feit op orde te krijgen, bestaan procesafspraken zodat een actor in de natuurlijke werkelijkheid ervoor zorgt dat ook een administratieve gebeurtenis optreedt (in dit geval de registratie van de geboorte van het kind bij de gemeente). De administratieve gebeurtenis heeft als eindresultaat dat bepaalde data wordt vastgelegd, zoals de geboortedatum van het kind, zijn of haar geslacht en de gegevens van de persoon die aangifte doet van de geboorte. Er is sprake van een compliant situatie, als de adminsitratieve vastlegging overeen komt met de situatie die volgens de regels van de institutionele werkelijkheid zouden moeten gelden.

2.4 Axiomatisch begrippenstelsel

Om elkaar te kunnen begrijpen, is het nodig dat je weet wat de begrippen betekenen die een ander gebruikt. Begrippen hebben een ‘naam’: de term, de aaneenschakeling van woorden, die je gebruiken als je dit begrip bedoelt. Omdat je dezelfde naam kunt gebruikt in verschillende situaties, is het nodig om bij de uitleg van een begrip ook altijd aan te geven in welke situatie deze term de naam is voor het begrip dat je wilt uitleggen. Zo’n situatie noemen wij een “context”.

Om begrippen in onderlinge samenhang te beschrijven hanteren we een axiomatisch begrippenstelsel. In een axiomatisch begrippenstelsel wordt ieder begrip beschreven in termen van een ander begrip. Daarbij kom je uiteindelijk uit bij enkele begrippen die iedereen in deze context begrijpt en niet worden uitgelegd. Dit noemen we axioma’s.

Doel van het begrippenstelsel is uiteraard om alle begrippen in het model “begrijpelijk” te maken. Cirkelredenaties, waarbij in de definitie van een begrip andere begrippen worden gebruikt die – direct of indirect – weer gebruik maken van het te definiëren begrip zijn ‘oneerlijk’. Dat geeft geen begrip, maar leidt tot een eindeloze rondgang.

Een begrippenstelsel dat op een dergelijke manier is opgebouwd verbindt de uit te leggen begrippen met de begrippen die iemand al begrijpt. Het verbindt de argeloze lezer vanuit zijn eigen belevingswereld en vocabulaire met het domein en de domeinvocabulaire die begrepen moet worden.


3. Denkwijze

Begrip, in de zin van elkaar begrijpen staat centraal bij communicatie. Alleen als mensen elkaar begrijpen kunnen ze met elkaar communiceren en raken ze verbonden. Hetzelfde geldt voor communicatie tussen informatiesystemen. Alleen als data in informatiesystemen begrijpelijk is, kunnen informatiesystemen met elkaar communiceren en kan hun data worden verbonden.

Dit hoofdstuk beschrijft de denkwijze vanuit de onderdelen waaruit communicatie is opgebouwd:

3.1 Termen, woorden en URIs

3.1.1 Begripsdriehoek

Een belangrijk aspect van communicatie en informatica is het gebruik van symbolen om te verwijzen naar specifieke objecten. In de communicatiewetenschap wordt daarbij vaak de ‘triangle of meaning’ aangehaald.

Dit model is afkomstig uit de semiotiek en beschrijft hoe symbolen (of ‘termen’) gebruikt worden door een spreker om te verwijzen naar een specifiek ‘ding’.

De derde hoek van de driehoek bestaat uit de gedachte die de spreker had over dit ‘ding’ op het moment dat hij hierover sprak. De spreker heeft het feitelijk niet over het echte ‘ding’, maar over zijn gedachte over dit ‘ding’.

3.1.2 Context: spreker en toehoorder

Een belangrijk aspect van de begripsdriehoek is het idee dat een term verwijst naar een ding zoals de spreker dit bedoelt. De toehoorder zal bij het horen van de mededeling van de spreker altijd zijn eigen gedachte bij de term hebben, en dus mogelijk een ander ‘ding’ of ander aspect van dit ‘ding’ voor ogen hebben.

Bovenstaand figuur geeft een voorbeeld waar een dergelijke spraakverwarring is afgebeeld. De spreker gebruikt de term “Lange Jan” en heeft daarbij zijn eigen gedachte over een specifiek gebouw (de Onze Lieve Vrouwetoren in Amersfoort, Kadastraal middelpunt van Nederland en in de volksmond ook wel de "Lange Jan" genoemd). De toehoorder zit met zijn gedachten ergens anders (namelijk: in de Efteling), en verwacht dat de spreker het over iets heel anders heeft dan een gebouw.

Begrip ontstaat als er voldoende overlap is in de gedachten die sprekers en toehoorders hebben bij eenzelfde term. Dit idee is voor het eerst uitgewerkt door Peirce, en de consequenties voor de ICT verder door Sowa in “Ontology, Metadata and Semiotics” [ONTOMETA]. Context is daarbij cruciaal: verschillende contexten maken dat dezelfde termen naar andere begrippen verwijzen. Dit verschil in context wordt mooi geïllustreerd in het sesamstraat tekenfilmpje over ‘grote dingen’ [SS-TAAT].

Het vervelende aan natuurlijke taal is echter dat in geschreven taal aan de term niet zichtbaar is wie de spreker is. Bij gesproken taal is dit anders. Daar is duidelijk wie de woorden uitspreekt, dus ook wie ‘bezitter’ is van de gedachte. Zo kan een gesprek ontstaan, waarbij de toehoorder aan de ‘bezitter’ vragen stelt over de gedachte, om zo beter te begrijpen wat de spreker bedoelt. Zie bijvoorbeeld het sesamstraat filmpje ‘Guess who I met today’ [SS-GWIMT]

In ‘Through the looking-glass’ van Lewis Caroll wordt deze innige relatie tussen de betekenis van een term en zijn spreker verwoord in het gesprek tussen Alice en Humpty-Dumpty:

"I don't know what you mean by 'glory'", Alice said.

Humpty Dumpty smiled contemptuously. "Of course you don't. Till I tell you. I meant 'there's a nice knock-down argument for you!'"

"But 'glory' doesn't mean 'a nice knock-down argument'," Alice objected.

"When I use a word," Humpty Dumpty said in rather a scornful tone. "It means just what I choose it to mean - neither more or less."

"The question is," said Alice, "whether you can make words mean so many different things."

"The question is," said Humpty Dumpty, "which is to be master - that's all."

Hier stelt Humpty Dumpty dat hijzelf, en alleen hijzelf kan bepalen wat een woord betekent. Strikt genomen heeft hij gelijk. Maar als men betekenisvol wil communiceren en daarmee ook betekenisvol modelleren, dan is enige duidelijkheid nodig wat ‘we’ er mee bedoelen. Deze duidelijkheid kan worden bereikt door het definiëren van begrippen.

Het belang van de interpretatie van woorden wordt bijvoorbeeld duidelijk in de rechtspraak. Een voorbeeld (waarbij bovendien de woorden van Lewis Caroll worden geciteerd) is de zaak Liversidge versus Anderson uit 1942 in Engeland [LIVAN]. Daar lag de vraag op tafel of de woorden van een wet in verschillende situaties anders uitgelegd mochten worden, ofwel: wie bepaalt in ultimo wat de betekenis is van de letter van de wet?

Een voorbeeld uit Nederland is het elektriciteitsarrest [EARREST], waarin een Haagse tandarts beschuldigd wordt van diefstal van elektriciteit door de meter te blokkeren met een breinaald. In cassatie verweert de tandarts zich met de stelling dat elektriciteit niet als ‘enig goed’ valt te kwalificeren, zodat niet aan de delictsomschrijving van artikel 310 uit het Wetboek van strafrecht (diefstal) is voldaan. Hij betwistte het begrip ‘goed’, of in elk geval de toepasselijkheid daarvan op iets immaterieels als elektriciteit.

Om de betekenis van symbolen te begrijpen, is het van belang om de afspraken te kennen waarmee de symbolen zijn gemaakt, of ten minste een verwijzing te hebben naar een ander symbool waar de afspraak wel van bekend is. Een voorbeeld van dit laatste is de Rosetta Stone [ROSETTA].

Het is dus nodig afspraken te maken over de manier waarop waarnemingen van dingen en gebeurtenissen in de werkelijkheid worden vertaald naar een representatie van deze dingen en gebeurtenissen in taal. Die representatie kan worden geïnterpreteerd, en weer worden terugvertaald naar de werkelijkheid zoals iemand zich die voorstelt. Op die manier kan iemand zich een beeld vormen van de werkelijkheid, ook al heeft hij die niet zelf waargenomen. Vanaf nu maken we onderscheid tussen de natuurlijke werkelijkheid en de administratieve werkelijkheid. De natuurlijke werkelijkheid is de ‘echte’, ‘alledaagse’, ‘brute’ werkelijkheid waarin we leven. De administratieve werkelijkheid is een representatie van de natuurlijke werkelijkheid in informatiesystemen.

Tegenwoordig wordt de meeste informatie vastgelegd in digitale informatiesystemen. Conceptueel verschilt dit niet wezenlijk van handgeschreven registraties. Nieuw is wel dat geautomatiseerde informatiesystemen hun informatie direct met elkaar kunnen uitwisselen zonder menselijke tussenkomst. Bij uitwisseling tussen handgeschreven informatiesystemen is er altijd iemand die het bronsysteem leest, de informatie begrijpt en vervolgens de informatie in het doelsysteem wijzigt. Afwijkingen tussen de modellen van de twee systemen worden daarbij door de persoon in kwestie ‘vertaald’ van het ene naar het andere model.

Tijdens automatische uitwisseling controleert niemand of de symbolen die in het bronsysteem zijn gebruikt wel hetzelfde betekenen als in het doelsysteem. Niemand kan bij een afwijking in betekenis ingrijpen om te zorgen dat de informatie ‘correct’ wordt ontvangen in het ontvangende systeem. ‘Correct’ wil hier zeggen dat het ontvangende systeem de symbolen naar dezelfde natuurlijke werkelijkheid terugvertaalt als dat het bronsysteem dat zou doen. Deze controle en eventuele vertaling moet dus in de koppelvlakken worden opgenomen zodat de automatische koppeling niet tot fouten leidt waardoor verkeerde conclusies worden getrokken.

3.1.3 URI-term

We kunnen het model van de begripsdriehoek ook toepassen op een informatiesysteem. De term in de driehoek correspondeert dan met een identificatie in het informatiesysteem, de gedachte correspondeert met een onderdeel uit het conceptuele model van het systeem en het ding blijft, net als in natuurlijke taal, het ‘echte’ ding: het is geen onderdeel van het systeem.

De eerste twee principes van Linked Data, zoals genoemd in Hoofdstuk 1, geven een elegante manier om identificaties zo te kiezen dat problemen met synoniemen en homoniemen zo veel mogelijk worden voorkomen. Bovendien kunnen de identificaties verwijzen naar hun ‘eigenaar’, wat de mogelijkheid geeft om meer informatie te verzamelen en zo een beter begrip te krijgen.

1. Use URIs as names for things.

URI staat voor “Uniform Resource Identifier”. Een URI is dus iets waarmee je op een eenduidige manier naar iets verwijst. Of eigenlijk nog preciezer: het is iets waarmee je een resource op een eenduidige manier identificeert, waardoor je er naar kunt verwijzen. De URI heeft hier de rol van ‘term’ uit de begripsdriehoek. De resource is hier het begrip dat het informatiesysteem (hier de spreker) heeft van het ding in de natuurlijke werkelijkheid.

2. Use HTTP URIs so that people can look up those names.

Http-URIs hebben de vorm van een URL (de L staat voor Locator) en dus kun je ze ‘activeren’. Met een URL kun je informatie ophalen die op een server beschikbaar wordt gesteld. Een belangrijke bijkomstigheid is dat een http-URI duidelijk maakt van wie die informatie afkomstig is: van de eigenaar van het internetdomein van de URI. De URI verenigt zo de term en (gedachte)eigenaar in een identifier.

Merk op dat we in dit plaatje expliciet niet spreken over de ‘BAG gedachte van de Lange Jan’. Informatiesystemen (zowel geautomatiseerd als handmatig) zijn deterministisch en hebben geen gedachten, zoals mensen deze hebben. Daarom spreken wij hier van het (conceptueel) model dat de BAG heeft van de Lange Jan. Dit wil overigens nog niet zeggen dat dit model altijd goed beschreven is! Een slecht gedocumenteerd informatiesysteem kan net zo ondoorgrondelijk zijn als de gedachten van een mens!

3.1.4 Begrippen in deze sectie

Een term is een aaneenschakeling van één of meerdere woorden.

Een ding is iets in de natuurlijke werkelijkheid: een object, mens, machine, etc.

Een naam is een term die gebruikt wordt om te verwijzen naar een ding.

Een actor is een mens of IT systeem: iemand of iets dat een communicatieve handeling kan uitvoeren.

Een gedachte is het denkbeeld dat een mens heeft in een bepaalde context over een ding.

Een URI-term is een term waarmee een resource op een eenduidige manier wordt geïdentificeerd.

Een context is een begrip waarbinnen andere begrippen begrepen kunnen worden.

Een begrip is de overeengekomen betekenis van een term in een bepaalde context.

Een model is een vereenvoudigde representatie van een ding.

3.2 Vorm van communicatie

3.2.1 Grammatica

Communicatie in natuurlijke taal vindt plaats volgens een model dat we de grammatica van een taal noemen. Eenvoudige uitspraken hebben de vorm [onderwerp] – [gezegde] – [lijdend voorwerp]. Bijvoorbeeld in de zin "Paul kent John" is "Paul" het onderwerp, "kent" het gezegde en "John" het lijdend voorwerp. Linked Data is gebaseerd op het uitgangspunt dat we ook met data dergelijke basale uitspraken kunnen doen. Hiervoor is RDF bedacht, het Resource Description Framework [RDF]. RDF is een standaard van het World Wide Web Consortium (W3C), oorspronkelijk ontworpen als een metadata-model, maar gaandeweg gebruikt als een formaat om gegevens in het algemeen voor te stellen en uit te wisselen. Uitspraken in RDF volgen een grammatica die erg veel lijkt op die van natuurlijke taal. Ze hebben de vorm van een triple: [subject] – [predicate] – [object].

Met een triple wordt in feite een ‘korte zin’ uitgedrukt (zie ook ‘Wat is een zin’, Algemene Nederlandse Spraakkunst [ANS-ZIN]). De drie onderdelen van de triple, namelijk ‘subject’, ‘predicate’ en ‘object’ corresponderen met onderwerp, gezegde en (lijdend) voorwerp uit de natuurlijke taal. Een ‘object’ kan weer een ‘subject’ zijn in een volgende uitspraak, waardoor een netwerk van samenhangende dingen en uitspraken ontstaat. Grafisch wordt een triple vaak afgebeeld als een gerichte graaf: twee bolletjes (voorstelling van subject en object) die met elkaar verbonden zijn met een pijl die het predicate voorstelt. Als het object zelf niet gebruikt wordt om verder door te verwijzen (omdat het geen URI is, maar een vaste waarde, een literal [LITERAL]), dan wordt vaak in plaats van een bolletje een rechthoek gebruikt.

Bovenstaand voorbeeld toont plaatjes in plaats van URIs voor de (menselijke) leesbaarheid. Dit plaatje zou er als RDF met echte URIs als volgt uitzien. Voor de leesbaarheid zijn deze URIs met prefixen. Een prefix is een verkorte weergaven van een http domeinnaam.

Aangezien alleen ruimte is voor een onderwerp, gezegde en (lijdend) voorwerp, is er in de korte zin geen mogelijkheid om ook de context uit te drukken waarbinnen een mededeling als ‘waar’ moet worden beschouwd. Hiervoor biedt RDF de mogelijkheid van een ‘named graph’ (in goed Nederlands de "benoemde graaf"). Een set samenhangende triples vormt samen een ‘named graph’ die zelf ook weer een URI heeft, en de context van deze triples geeft. Via de URI van de ‘graph’ kan ook de herkomst van de

mededeling worden vastgelegd: wie deed de mededeling, wanneer en vanuit welke gedachte?

3.2.2 Soorten zinnen naar communicatieve functie

Natuurlijke taal kent drie soorten zinnen naar communicatieve functie (bron: Algemene Nederlandse Spraakkunst [ANS]):

De ANS spreekt nog van een vierde soort zin: de uitroepende zin. Dit is een zin die een emotie uitdrukt. Zo’n zin eindigt meestal op een uitroepteken. Daarbij wordt vermeld dat een dergelijke uitroepende zin in communicatieve functie weer een mededeling, vraag of bevel kan bevatten. Daarom beschouwen we de uitroepende zin hierna niet als een afzonderlijke soort zin.

Voor vragende zinnen is het gebruikelijk om een vraagteken (“?”) aan het einde van de zin te plaatsen. Voor mededelende zinnen is het gebruikelijk om een punt (“.”) aan het einde van de zin te plaatsen. Voor bevelende zinnen bestaat geen eenduidigheid. Verderop gebruiken we hiervoor een uitroepteken (“!”).

Voorbeelden van deze drie soorten zinnen zijn:

3.2.3 HTTP (Hypertext Transfer Protocol)

Het World Wide Web, dat toegankelijk is via de browser en waar ook Linked Data op is gebaseerd, volgt het Hypertext Transfer Protocol (http). Dit protocol [HTTP][PROTOCOLS] is vergelijkbaar met hoe een gesprek wordt gevoerd tussen twee mensen.

Een http-request komt overeen met:

Een http-response komt overeen met:

In relatie tot de publicatie en het raadplegen van linked data gaat het om vragende en mededelende zinnen en de ‘GET’ http-request methode. Hiervoor geldt:

3.2.4 De mededelende zin

Een eenvoudige, enkelvoudige mededelende zin heeft de vorm:

Onderwerp (subject) - Gezegde (predikaat) - Voorwerp (object)

Deze vorm is identiek aan de opzet van een triple in Linked Data:

<subject> <predicate> <object>

Zo is de zin: "Jan kent Piet" gelijk aan de Linked Data representatie in Turtle-syntax [TURTLE]:

In een triple wordt subject en predicate altijd afgebeeld op een URI. Een object mag zowel afgebeeld zijn op een URI als op een literal. Een literal is een stukje tekst, een datum, of een getal.

Dit betekent dat in een mededelende zin veel woorden (beter gezegd: termen) vervangen worden door identificerende elementen. Dit helpt om specifieke, formele uitspraken te doen: het wordt gemakkelijker om te begrijpen wat er wordt bedoeld, er is geen misverstand. Vaak wordt hier de term “disambiguation” gebruikt.

De volgende voorbeelden laten dit zien:

De eerste zin kent de minst specifieke aanduiding voor de drie personen die in de zin voorkomen. Dit maakt de zin ambigu en dus lastig te begrijpen. Immers: over welke Marco hebben we het? In de tweede zin worden de personen al iets specifieker aangeduid. Deze zin klinkt een stuk formeler, en leest minder prettig, maar is wel beter te begrijpen. De derde zin kent een zeer specifieke aanduiding. De derde zin is volstrekt duidelijk en ondubbelzinnig, maar nogal omslachtig geformuleerd.

3.2.5 De URI (Uniform Resource Identifier)

In een RDF triple worden het onderwerp, gezegde en soms ook het (lijdend) voorwerp geïdentificeerd door middel van URIs. Een URI kan verschillende vormen hebben. Zie hiervoor de URI specificaties [RFC3986], of de meer leesbare wikipedia beschrijving [URI].

Voorbeelden van correcte URI-namen van ‘Marco’, ‘Marco Polo’ en ‘BSN 1234’ zijn:

  1. urn:term:Marco
  2. http://bp4mc2.org/voorbeeld/id/persoon/Marco
  3. urn:uuid:1234
  4. http://bp4mc2.org/voorbeeld/id/persoon/1234

De oneven URIs zijn URNs. Dit zijn gewoon namen, zonder dat hiermee ook een (internet) locatie wordt gegeven (URN = Uniform Resource Name). De even URI-namen zijn URLs (URL = Uniform Resource Location), dat wil zeggen namen die gelijktijdig ook een (internet) locatie aanduiden.

Aangezien een internetlocatie overeen komt met de URL die wordt ingetypt in de browser, is een URL hiermee niet alleen een naam, maar gelijktijdig ook een vragende zin!

3.2.6 De URL (Uniform Resource Location) als vraag

Een URL kan zowel een vraag als de naam van ‘iets’ zijn. Het is duidelijk wat wordt bedoeld met de URL als naam voor ‘iets’, namelijk precies dit ‘iets’:

De url http://bp4mc2.org/voorbeeld/id/persoon/1234 is hier de naam (of identificatie) van een persoon met de volledige naam “Marco Polo”, voornaam “Marco” en BSN “1234”.

Ook is duidelijk dat een URL nooit een mededelende zin kan zijn. Zo'n zin is immers geen triple. Hij bevat wel een onderwerp, maar geen gezegde of lijdend voorwerp. In onderstaand voorbeeld is de eerste zin geen linked data zin, de tweede wel.

<http://bp4mc2.org/voorbeeld/id/persoon/1234>.

<http://bp4mc2.org/voorbeeld/id/persoon/1234> <http://bp4mc2.org/voorbeeld/def#sprak-met> <http://bp4mc2.org/voorbeeld/id/persoon/8743>.

In de wereld van Linked Data kan een URL ook worden gebruikt als vraag. Het derde Linked Data principe stelt: “When someone looks up a URI, provide useful information” [LINKEDDATA])

In het voorbeeld kan dit het volgende gesprek opleveren:

Vraag: ‘De persoon met BSN “1234”?’

Antwoord: ‘De persoon met BSN “1234” heet “Marco Polo”, we noemen hem vaak “Marco”, zijn BSN is “1234” en hij sprak met de persoon met BSN “8743”’.

Of in Linked Data (Turtle syntax):

3.2.7 Overige URL vragen

In de voorgaande sectie hebben we de URL besproken die zowel een ‘Naam’ was als een ‘Vraag’. Er zijn echter veel meer vragen denkbaar, en ook veel meer URLs.

Zo willen we onderscheid maken tussen de URL-Naam en de URL-Vraag. Elke URL-Vraag is een URL die geen URL-Naam is.

Om in de vormgeving een URL-Naam te kunnen onderscheiden van een URL-Vraag stellen we voor om in de URL een vraagteken op te nemen, gevolgd door aanvullende informatie met betrekking tot de vraag, dus bijvoorbeeld:

Deze URL-Vraag komt overeen met de zin in natuurlijk taal:

'Kun je iets vertellen over personen met voornaam "Marco"?’

3.2.8 Begrippen in deze sectie

Een triple is een combinatie van ‘onderwerp’, ‘gezegde’ en ‘(lijdend) voorwerp’: [subject, predicate, object].

Een graph is een verzameling van triples.

3.3 Betekenis van communicatie

3.3.1 Feiten in de natuurlijke en institutionele werkelijkheid

Volgens wikipedia is een feit “een gebeurtenis of omstandigheid waarvan de werkelijkheid vaststaat, ofwel zintuiglijk kan worden waargenomen of instrumenteel gemeten”. [FEIT] Het tijdsaspect is van belang bij het beschouwen van een feit: de werkelijkheid van een omstandigheid kan vaststaan op één moment in tijd, maar op een ander moment in tijd juist zijn verdwenen.

Gebeurtenissen zijn juist nooit op een stilstaand moment te aanschouwen. Een gebeurtenis stelt feitelijk voor dat de ene omstandigheid verandert in een andere omstandigheid. Wil een gebeurtenis een feit zijn, dan moet de werkelijkheid van beide omstandigheden vaststaan, maar bovendien moet vaststaan dat er een ‘regel’ is die feitelijk (dus waarvan de werkelijkheid ook vaststaat) bepaalt dat omstandigheid A wetmatig resulteert in omstandigheid B. Zie voor een uitleg van wat een regel is: defining business rules – what are they really [RULES]. In de natuurlijke werkelijkheid zijn deze regels de natuurwetten. Zo valt een appel van een boom als de zwaartekracht die op deze appel wordt uitgeoefend groter is dan de sterkte van de verbinding tussen de appel en de tak waaraan hij hangt.

De Wikipedia-definitie van ‘feit’ kent een open eind: Wat staat als werkelijkheid vast? Van enkele zaken zal iedereen veronderstellen dat deze ‘vaststaan’. Weinig mensen zullen ontkennen dat de brug waarmee zij een rivier oversteken ‘bestaat’. Zonder de brug zou je immers vallen (een natuurwet). Andere aspecten die wij mensen als de ‘vaststaande werkelijkheid’ beschouwen zijn echter niet natuurlijk en hebben te maken met sociale afspraken: Dat er zoiets bestaat als de ‘soevereine en democratische rechtsstaat Nederland’ is een afspraak waar de meeste mensen zich aan houden, dus daarmee is dat (op dit moment) een feit. Maar in 1500 was de ‘soevereine en democratische rechtsstaat Nederland’ nog geen feit.

Dit laatstgenoemde feit is een voorbeeld van een institutioneel feit. Een institutioneel feit is een feit waarvan de werkelijkheid zijn grondslag heeft in sociale instituties. Hiertoe rekenen we de overheid die de wet schrijft, deze uitvoert en die recht spreekt, maar ook standaardisatie-organisaties die afspraken die mensen maken formeel vastleggen.

Het geheel van deze sociale instituties en de institutionele feiten die zij vastgesteld hebben noemen we de institutionele werkelijkheid.

3.3.2 Relatie tussen natuurlijke en institutionele werkelijkheid

Alles wat de overheid doet, is gebaseerd op een wettelijke grondslag. Dit is het zogenoemde legaliteitsbeginsel. De wet en daarop gebaseerde (gedelegeerde) regelingen omschrijven de begrippen die relevant zijn binnen het toepassingsgebied van die wet. Ook bepaalt de wet wat in welke gevallen mag, niet mag of moet met de dingen die met die begrippen worden aangeduid, en onder welke voorwaarden.

Om begrip van wetgeving te krijgen, is het van belang inzicht te hebben in de gelaagdheid van wetgeving en van de relaties en afhankelijkheden tussen regelingen. Deze aspecten kunnen de betekenis van een wettelijk begrip beïnvloeden.

Het recht kent hiervoor de volgende vier principes:

Volgens de paradigma's in de rechtsinformatica (zie [RECHTPARA]) is de wet opgebouwd uit:

Het bovenstaande figuur laat de dynamiek zien waarlangs rechtsgevolgen ontstaan door gebeurtenissen in de natuurlijke werkelijkheid.

Een institutioneel feit heeft altijd een daaraan voorafgaande aanleiding in de natuurlijke werkelijkheid. Voorbeelden zijn een geboorte die aanleiding is voor het opstellen van een geboorteakte, de oprichting van een organisatie die aanleiding is voor het opstellen van een oprichtingsakte en de verkoop van een huis die aanleiding is voor het opstellen van een akte van eigendomsoverdracht.

Zo’n feit heeft altijd een rechtsgevolg, dat wil zeggen het leidt tot een rechtsfeit. Na de verwerking van een geboorteakte in het bevolkingsarchief bestaat een kind juridisch, na de verwerking van een oprichtingsakte door de Kamer van Koophandel kan een organisatie rechtshandelingen uitvoeren en na de verwerking van de overdrachtsakte door het Kadaster is iemand pas formeel eigenaar van het huis.

Aanleiding, voorwaarde en eindsituatie kunnen worden beschreven in de vorm van regels. De aanleiding geeft aan ‘wanneer’ de gebeurtenis optreedt (wat de ‘trigger’ is), de voorwaarde geeft aan of de gebeurtenis ook mag optreden. De eindsituatie is de situatie die geldt na afloop van de gebeurtenis.

3.3.3 Administratieve werkelijkheid

De institutionele (en daarmee ook de juridische) werkelijkheid is niet waar te nemen. Het is als een mondelinge afspraak: achteraf kun je alleen nog via menselijke en ‘stille’ getuigen (akten e.d.) achterhalen wat de institutionele feiten zouden moeten zijn.

Registreren van juridische feiten in een administratie is dan ook noodzakelijk voor een goede verstandhouding tussen mensen, en in het bijzonder: voor een goede rechtsorde. Het figuur op de vorige pagina laat zien hoe dit proces in zijn werk gaat:

Er is sprake van compliancy als de procesafspraken leiden tot geregistreerde gegevens die een correcte weergave zijn van de rechtsfeiten.

3.3.4 Begrippen in deze sectie

Een feit is een gebeurtenis of omstandigheid waarvan de
werkelijkheid vaststaat.

Een natuurlijk feit is een feit dat werkelijkheid is in de natuurlijke werkelijkheid.

Een gegeven is een administratief feit dat als zodanig is
geregistreerd in een informatiesysteem.

Een institutioneel feit is een feit dat werkelijkheid is conform een stelsel van afspraken (die zijn opgesteld door een instituut).

Een regel beschrijft hoe feitelijke situaties zich ten opzichte van elkaar verhouden

Een levensgebeurtenis is een gebeurtenis in de natuurlijke
werkelijkheid, in ‘het leven van een mens’.

Een administratieve gebeurtenis is een gebeurtenis in een IT
systeem (zoals het toevoegen van data).

Een institutionele gebeurtenis is een gebeurtenis die plaatsvindt in de institutionele werkelijkheid.

De werkelijkheid is datgene dat iemand voor waar aanneemt.

De natuurlijke werkelijkheid is de werkelijkheid waarin wij leven, waarin natuurwetten gelden.

Een administratieve werkelijkheid is een representatie van de natuurlijke werkelijkheid in een informatie systeem.

Een institutionele werkelijkheid is een werkelijkheid volgens
algemeen aanvaarde afspraken.

Een juridische werkelijkheid is een institutionele werkelijkheid waarin de wet- en regelgeving geldt.

3.4 Gebruik

We kunnen natuurlijk proberen een deel van de natuurlijke werkelijkheid zelf vast te leggen om deze veilig te stellen, zodat die werkelijkheid op een later tijdstip, door onszelf of door anderen, opnieuw opgeroepen of gereconstrueerd kan worden. Dit doen we bijvoorbeeld bij het verzamelen van vlinders of postzegels, of bewijsstukken in een rechtszaak. De veilig gestelde objecten kunnen, mits goed bewaard, later aantonen hoe de werkelijkheid was op het moment van vastleggen. Maar er gaat altijd informatie verloren. De vlinder wordt gedood en opgeprikt, de postzegel wordt van een envelop gehaald en wie garandeert dat het pistool na de moord niet door een ander is aangeraakt?

Het lukt dus nooit om de hele context van een natuurlijke situatie, zoals die op dat moment en op die plaats geldt, te vangen. Het is in veel gevallen praktischer om een representatie van de relevante aspecten van de werkelijkheid vast te leggen. Dit kan in een realistische representatie zoals een afbeelding, een foto, een film of een geluidsopname. Maar meestal wordt informatie vastgelegd in symbolen of in tekst. Meer abstracte begrippen zoals prijs, gewicht en productiedatum kunnen alleen maar op die manier worden vastgelegd.

3.4.1 Begrippen

In de voorgaande paragraaf hebben we het over concrete zaken gehad: een geboorte, een gebouw, een registratie van gegevens. Om de betekenis van deze zaken te kunnen beschrijven, is het noodzakelijk om een abstractie te introduceren: de abstractie van ‘begrippen’.

Een ‘begrip’ is de abstractie van een ‘ding’ in de natuurlijke werkelijkheid. Een begrip wordt aangeduid met minimaal één voorkeurs-term. Ook hier kunnen we de begripsdriehoek gebruiken. Alleen gaat het in dit geval niet om een gedachte, maar om een afspraak over wat het begrip zou moeten betekenen. Het onderstaande figuur geeft de driehoek weer voor het begrip "Pand" uit de BAG.

Het ‘ding’ aan de rechterkant is in dit geval geen concreet ‘ding’, maar een abstractie: een ‘pand’ zoals bedoeld in de BAG. Het wolkje bovenin betreft de afspraak over de betekenis van een ‘Pand’.

3.4.2 Formalisering in een axiomatisch begrippenstelsel

Een begrip is te identificeren door een term te verbinden met een context. Hiermee is duidelijk wanneer twee begrippen dezelfde betekenis hebben (term+context is gelijk), of wanneer twee begrippen van elkaar verschillen (term+context is anders).

Dit geeft nog geen duiding aan de betekenis van het begrip. Daarvoor is het noodzakelijk om begrippen met elkaar te verbinden op een manier waardoor de betekenis verder wordt geduid. Hiervoor biedt het vakgebied van de semantiek aanknopingspunten. In dit vakgebied is het gebruikelijk om ‘description logic’ toe te passen voor het beschrijven van de betekenis van begrippen. Het idee hierachter is dat betekenis uitgedrukt kan worden in classificaties. Elk begrip is dan een classificatie van concrete voorkomens. De verzameling van alle potentiële voorkomens waarvan gezegd kan worden: “Dit is er zo 1”, wordt de extensie van een dergelijke classificatie genoemd. Twee begrippen hebben vervolgens dezelfde betekenis is als de bijbehorende extensies precies dezelfde elementen bevatten.

Een begrippenmodel kan qua diepgang beperkt zijn of juist heel diep gaan:

Voor het rechtlijnig kunnen redeneren op basis van een begrippenstelsel is een begrippenmodel nodig dat een stapje verder gaat dan een thesaurus. Het doel is niet zoals bij taxonomieën en thesauri om woorden ten opzichte van elkaar te ordenen, maar om een begrippenstelsel te definiëren waarmee je kunt redeneren over begrippen. Hiervoor is het axiomatisch begrippenstelsel bedoeld. Dit stelsel heeft de volgende eigenschappen:

Optimaal is als de axioma's begrippen zijn die als ‘eenvoudig’ worden gekenmerkt, zie hiervoor: woordenlijst taalniveau B1 [EENVWOORD].

3.4.3 Natuurlijke werkelijkheid versus data

Met een axiomatisch begrippenstelsel kan de institutionele werkelijkheid min of meer geformaliseerd worden beschreven. Dit is echter nog geen model in de zin van een volledig uitgewerkte ontologie waarin data over de dingen in de natuurlijke werkelijkheid die met deze begrippen worden aangeduid kunnen worden gerepresenteerd. De Wet Basisregistraties Adressen en Gebouwen (BAG) geeft definities voor de begrippen ‘openbare ruimte’, ‘nummeraanduiding’ en ‘woonplaats’. Deze definities kunnen worden gerepresenteerd in een samenhangend axiomatisch begrippenstelsel. Dat geeft inzicht, maar is nog niet voldoende voor het ontwerpen van een informatiesysteem waarin data over de ‘dingen’ die met de termen “openbare ruimte”, “nummeraanduiding” en “woonplaats” worden aangeduid, kunnen worden opslagen.

Zo kan in de BAG bij een ‘nummeraanduiding’ worden gedefinieerd dat deze ‘is gerelateerd aan’ een ‘openbare ruimte’ en dat een ‘openbare ruimte’ is ‘gerelateerd aan’ een ‘woonplaats’. Voor een ontologie is veel meer nuance nodig. Bijvoorbeeld ‘in 1 openbare ruimte mag een nummeraanduiding maar 1 keer voorkomen’.

Wat daarbij soms uit het oog wordt verloren, is het feit dat het om een registratie gaat, dus om de administratieve werkelijkheid, en niet om de ‘echte’, natuurlijke werkelijkheid. Een registratie bevat alleen maar data die iets veronderstellen over de natuurlijke werkelijkheid. Het bevat niet de natuurlijke werkelijkheid zelf: een klantenregistratie bevat geen ‘klanten’, maar ‘data over klanten’. En zelfs een registratie van artikelprijzen bevat geen ‘artikelprijzen’, maar slechts ‘data over artikelprijzen’.

Als het onderscheid tussen natuurlijke en administratieve werkelijkheid uit het oog wordt verloren, kan dat leiden tot Kafkaëske-toestanden: ‘Ik bel u, omdat ik een aanmaning heb ontvangen dat ik mijn telefoonabonnement niet zou hebben betaald, maar ik ben helemaal geen klant van u’. Reactie: ‘Dat klopt, u staat niet in ons computersysteem. U hoeft niet te betalen’. Vervolg: ‘Maar er staat nu wel een deurwaarder mijn huis leeg te halen!!’. Reactie: ‘Dat kan niet,

u bent geen klant volgens ons computersysteem’. Hier wordt de natuurlijke werkelijkheid ontkend, en de administratieve werkelijkheid als de ware verondersteld. (meer voorbeelden op bijvoorbeeld "Computer says no" [COMPSAYSNO]).

Als sketch in een humoristisch programma zal iedereen dit herkennen en er om lachen, maar er zijn ook schrijnende gevallen waarbij mensen hun uitkering of toeslagen verliezen omdat de administratieve werkelijkheid voor de waarheid wordt gehouden. Aan de andere kant wordt ook misbruik gemaakt van de soms gebrekkige koppeling tussen data in administratieve werkelijkheden, bijvoorbeeld bij B.V. fraudes.

3.4.4 Context van data

Een informatiesysteem bevat data. Wij gebruiken in dit document het begrip ‘data’ als synoniem voor ‘gegevens’. Data zijn de vastgelegde uitdrukking van 1 of meerdere feiten (zie ook [GEGEVEN]). Die feiten kunnen afkomstig zijn uit verschillende werkelijkheden:

Het kunnen feiten uit de natuurlijke werkelijkheid zijn die zijn waargenomen door een sensor of een persoon. Deze heeft de relevante aspecten van die waarneming ingevoerd in het informatiesysteem dat deze aspecten vervolgens als data heeft vastgelegd.

Het kunnen feiten uit een (andere) administratieve werkelijkheid zijn waarover de data via een automatisch koppeling het informatiesysteem binnenkomen.

Het kunnen feiten uit een institutionele werkelijkheid zijn, ingevoerd door mensen en bepaald op basis van (reken)regels.

Data vormen een discrete representatie van het waargenomen continuüm. Het betreft een waarneming van de voortdurend veranderende werkelijkheid, die op enig moment volgens een bepaald model (dat wil zeggen: een vereenvoudiging van de werkelijkheid die past bij de gewenste context) wordt vastgelegd.

Het is onmogelijk om een situatie in de natuurlijke werkelijkheid in zijn geheel vast te leggen. We leggen enkel vast wat we vooraf relevant achten voor kwesties waarvan we vermoeden dat die zich in een bepaalde context voor kunnen doen. Wat achteraf als relevant wordt beschouwd kon vooraf

vaak niet voorzien of waargenomen worden. Iedere natuurlijke situatie of gebeurtenis kent een oneindig aantal eigenschappen, die niet allemaal waargenomen en vastgelegd kunnen worden.

Twee waarnemingen van dezelfde werkelijkheid maar op verschillende momenten, of op hetzelfde moment maar volgens verschillende modellen, kunnen dus leiden tot verschillende data. Het model specificeert welke aspecten van de werkelijkheid worden vastgelegd en bepaalt daarmee de context waarin de data gebruikt kunnen worden.

Vrijwel elke moderne modelleerwijze maakt onderscheid tussen representaties van dingen en representaties van relaties tussen die dingen. Dingen zijn concreet en tastbaar (een persoon, een gebouw, een voertuig), of abstract (een organisatie, een typering, een kleur). Met relaties worden dingen met elkaar verbonden.

Elke specificatie gaat uit van reeds aanwezige kennis bij degene die de specificatie leest en toepast. Hoe uitgebreider en nauwkeuriger de specificatie, hoe beter gebruikers begrijpen hoe zij hun waarnemingen moeten vertalen naar data. Andersom helpt dit gebruikers om data te interpreteren, dat wil zeggen terug te vertalen naar de werkelijkheid die door de data wordt gerepresenteerd.

Een basisregistratie (bijvoorbeeld de kadastrale registratie) bevat een administratieve werkelijkheid die een afspiegeling is van de natuurlijke werkelijkheid, maar slechts voor zover die is vastgelegd in de institutionele werkelijkheid. We illustreren dit aan de hand van het voorbeeld ‘het kopen van een huis’.

Het kopen van een huis is typisch een ‘levensgebeurtenis’ in de natuurlijke werkelijkheid.

Daarvoor worden juridisch meerdere dingen vastgelegd, zoals de aflossing van de hypotheek door de vorige eigenaar, het vestigen van een nieuwe hypotheek en de overdracht. Dit zijn verschillende institutionele feiten die stuk voor stuk als zodanig in akten worden vastgelegd door een notaris.

Deze institutionele feiten leiden tot een bijwerking van de Kadastrale registratie.

Zo bekeken is een basisregistratiehouder eigenlijk een tweedelijns organisatie. De betrokkenen in de natuurlijke werkelijkheid gaan naar een loket om hun zaken institutioneel te regelen. Bij een vastgoedtransactie is dit een notaris die de transactie als institutionele gebeurtenis vastlegt in een akte (‘waarvan akte’), bij een geboorte is dit een ambtenaar van de burgerlijke stand die een geboorteakte opstelt.

De notaris schrijft deze akte in en de basisregistratie verwerkt de in de akte opgetekende gegevens over de institutionele feiten in de registratie. Daarbij hanteert de houder een basispatroon dat bij iedere basisregistratie wordt gebruikt:

Een ander voorbeeld van een situatie waarin duidelijk is dat de data niet de natuurlijke werkelijkheid zijn is een kadastrale grens die in een kaart is getekend. Als een lijn op de kaart wordt vergroot naar ware grootte kan deze wel een meter breed worden. De meeste conflicten over een erfgrens gaan over minder. Bij zo’n conflict, dat regelmatig is te zien in het Nederlandse televisieprogramma ‘De rijdende rechter’, gaat een rechter in de regel samen met een landmeter naar de betreffende locatie zodat hij kan beoordelen hoe de natuurlijke werkelijkheid is. De rechter baseert zijn uitspraak op zijn beeld van deze werkelijkheid.

Om data te kunnen beoordelen is altijd informatie nodig over hoe, waar en wanneer deze zijn ingewonnen. Voor het verkrijgen van huurtoeslag is het niet voldoende ergens te wonen waar je recht hebt op die toeslag. De verhuizing moet op tijd (niet na bijvoorbeeld een aantal jaren) worden gemeld aan de houder van de Basis Registratie Personen (BRP) op basis waarvan die toeslag wordt toegekend. De administratieve werkelijkheid moet kloppen met de natuurlijke werkelijkheid om het institutionele feit te creëren (of zelfs: we maken de administratieve werkelijkheid leidend bij het creëren van het institutionele feit).

3.4.5 Correcties

Een bijzonder patroon vormen correcties in de administratieve werkelijkheid. Ten opzichte van het basispatroon zijn er vooral enkele nuanceverschillen:


4. Modelleerwijze

In dit hoofdstuk beschrijven we:

4.1 De URI-strategie

Deze paragraaf beschrijft een voorstel voor een Nederlandse URI-strategie. De tekst is voor het grootste deel ontleend aan “Aanzet tot een nationale URI-Strategie voor Linked Data van de Nederlandse overheid” dat in het vorig jaar van de PiLOD is geschreven. [URISTRAT]. De URI-strategie beschrijft een aantal principes voor het opstellen van een patroon (syntax) van de URIs waarmee je de data in je informatiesysteem als betrouwbare en toegankelijke linked data kunt publiceren op het web.

4.1.1 Scope

De URI-strategie richt zich met name op data waarmee objecten of concepten worden gedefinieerd, waar andere toepassingen naar kunnen verwijzen. Data waar niet naar wordt gelinkt valt buiten de scope. Om dit toe te lichten onderscheiden we drie categorieën informatiesystemen:

Elk met de nadruk op een van de volgende drie categorieën ‘data’:

  1. Referentiemodellen
  2. Referentieobjecten
  3. ‘gewone’ Data

De belangrijkste functie van een Standaard is gewoonlijk om een conceptueel model te definiëren. Authentieke registraties worden doorgaans opgezet om een administratie van Referentieobjecten bij te houden en onder een 'gewone' Applicatie verstaan we een informatiesysteem dat slechts Data verzamelt voor één specifiek doel.

In alle drie de categorieën van informatiesystemen komen alle drie de categorieën data voor, maar niet in gelijke mate.

De grootte van een cel in het diagram geeft een indicatie van het gewicht van de betreffende categorie concepten in die categorie van informatiesystemen.

Op de diagonaal van linksboven naar rechtsonder staan de belangrijkste categorieën data per categorie systeem (a1, b2, c3).

Uiteraard kunnen een Authentieke registratie en een Applicatie een eigen Model hebben (b1 en c1), sommige Standaarden verstrekken een lijst met Referentiewaarden (a2) en Applicaties kunnen lokale Referentiegegevens hebben (c2). Ook kunnen Standaarden en Registers wat 'gewone' data nodig hebben (a3 en b3), bijvoorbeeld om wijzigingen en herkomst van hun referentiegegevens vast te leggen.

De URI-strategie ondersteunt het hergebruik van Concepten en Referentieobjecten door andere data-collecties. De interessante categorieën zijn dan ook de termen in de Modellen en de Referentiegegevens.

Termen, zoals klassen en eigenschappen, die zijn gedefinieerd in de Modellen van een Standaard of een Authentieke registratie, worden gebruikt om Referentieobjecten en Data te classificeren.
Referentieobjecten, gedefinieerd door Standaarden (denk aan waardenlijsten), maar vooral die beheerd worden in Authentieke registraties, worden gebruikt in ‘gewone’ Applicaties.
De URI-strategie is bedoeld voor Modellen en Referentieobjecten van zowel Standaarden als Authentieke registraties. Dus niet in eerste instantie voor de ‘gewone’ Data (rij 3) of concepten in ‘gewone’ Applicaties (kolom c) aangezien daar nou eenmaal niet of nauwelijks naar wordt gelinkt.

4.1.2 URI-strategie best-practices

Gedurende de PiLOD heeft de Werkgroep URI-strategie een aantal inzichten opgedaan bij de analyse van de voorgestelde varianten.

No register, no identifier

In Linked Data theorie wordt nogal eens beweerd dat het nodig is om voor elk concept of object een URI te definiëren, waardoor het lijkt alsof je pas kunt beginnen als je voor elk concept of object een nieuwe Linked Data URI hebt verzonnen en 'gemunt' (to mint a URI). Maar waarom zou je alles opnieuw definiëren? De mensheid definieert al eeuwen lang authentieke identificatie voor standaard begrippen en referentieobjecten. Denk aan encyclopedieën, taxonomieën en registraties van inwoners of van onroerende goederen. We noemen hier een voorziening voor het authentiek definiëren en identificeren van concepten of referentieobjecten een register. Onder register verstaan we hier dus zowel een specificatie van begrippen/concepten in een standaard, als een authentieke registratie van referentieobjecten. (De oplettende lezer merkt op dat ook een authentieke registratie van alle wet- en regelgeving onder deze definitie van een register valt.)

Doel van deze niet geringe inspanning om registers op te zetten is, om vanuit verschillende administraties op een eenduidige manier met afgesproken termen (een identifier) naar nauwkeurige en meer uitgebreide definities van abstracte begrippen en objecten te kunnen verwijzen zodat iedereen weet wat bedoeld wordt. Door het gebruik in informatiesystemen van dezelfde standaard termen voor de concepten in een model en de identifiers van referentieobjecten uit een register kunnen we op efficiënte wijze verschillende informatiesystemen met elkaar verbinden.

Zoals hiervoor reeds gezegd: dat doen we al eeuwenlang handmatig en op papier. Nu we dat willen gaan automatiseren is er weinig op tegen om deze bestaande registers te blijven gebruiken. Maar wat nou, als we naar begrippen of objecten willen verwijzen waar nog geen register voor bestaat? De enige manier om voor ontbrekende begrippen en objecten een URI te munten is toch door deze vast te leggen in een nieuw register. Als we merken dat er voor bepaalde begrippen of objecten geen register bestaat, terwijl we hier wel URIs voor willen hebben, dan is de enige manier om een register aan te leggen.

Kortom: je kunt alleen URIs munten voor begrippen of objecten die vastliggen in een register. Dit belangrijke inzicht vatten we samen in het adagium: 'No register, No identifier'.

Het register bepaalt

Een URI ‘hoort’ bij de registratie die oorspronkelijk de URI heeft gemunt. Maar niet alleen de identificatie en de registratie zijn met elkaar verbonden, ook de betekenis van de URI is verbonden met het register (de standaard of de authentieke registratie). Bij twijfel over de betekenis van een URI is het register de eerste bron van definitie. Daarom is het ‘good practice’ om de naam van het register op te nemen in de URI en het register zo in te richten dat het op basis van de URI een definitie kan leveren van het ding dat met de URI wordt aangeduid.

Het register is zo betrouwbaar als zijn eigenaar

De huidige eigenaar van de registratie bepaalt wat de URI inhoudt. Voor het vertrouwen in de kwaliteit van de data is het is dan ook belangrijk dat je (op betrouwbare wijze) de eigenaar van een register kunt achterhalen. Op het web houden TLD-registrars bij wie de eigenaar van een domeinnaam en dus van dat domein is [DOMNAAM]. Voor het Top Level Domain .nl is dit SIDN [SIDN]. Op die manier is duidelijk wie de ‘eigenaar’ is van deze URI, en daarmee van de betekenis en de identificatie.

Hergebruik zonder register

Bovenstaande opmerkingen lijken te suggereren dat het altijd noodzakelijk is om http-URIs te maken die zich houden aan de URI-strategie en vanuit een register worden gemunt. Dat is echter niet het geval. Alternatieven die ook voorkomen zijn het gebruik van URNs (Uniform Resource Names) of van UUIDs (Universally Unique Identifier).

URNs zijn uniforme namen die geen internetdomein bevatten en dus niet gekoppeld zijn aan een specifiek domein en dus aan een specifieke uitgever. Het gebruik van URNs is aan te bevelen als meerdere partijen URIs moeten kunnen munten, maar onderling toch willen kunnen vaststellen dat ze dezelfde ‘dingen’ identificeren. Voorbeelden hiervan zijn de European Case Law Identifier (ECLI) en de Nederlandse Juriconnect standaarden.

ECLI is een unieke codering om Europese gerechtelijke uitspraken te kunnen identificeren [ECLI]. Elk land bepaalt zelf hoe dit nationaal georganiseerd wordt. In Nederland publiceert de Raad voor de Rechtspraak (RvdR) een selectie van interessante rechterlijke uitspraken op rechtspraak.nl en voorziet deze van een ECLI-code. Echter niet alle uitspraken worden door de RvdR gepubliceerd. Uitgevers van juridische vakbladen publiceren soms ook uitspraken die niet door de RvdR zijn gepubliceerd. Ook deze krijgen een ECLI-code. Publiceer je een uitspraak die al een ECLI nummer heeft, dan dien je dat nummer te gebruiken. Het voordeel van de ECLI-standaard is dat deze Europa-breed wordt gebruikt. Ook de Juriconnectstandaarden [JURICON] zijn opgezet om uniformiteit te brengen in de verwijzing naar wet- en regelgeving in publicaties door verschillende partijen. In dergelijke gevallen is het voorlopig nog eenvoudiger om in het patroon voor de identifiers geen http-domein op te nemen.

Het gebruik van een UUID is aan te bevelen als het gaat om data waarvan niet verwacht wordt dat deze buiten de applicatie wordt gebruikt.

Mocht op een later moment alsnog de behoefte ontstaan aan een Linked Data URI, dan kan in beide gevallen de URN of UUID omgezet worden naar een URL door simpelweg het domein van een register voor de URN of UUID te plaatsen.

4.1.3 Uitgangspunten

Bij het opstellen van de nationale URI-strategie hebben we de volgende uitgangspunten gehanteerd (in deze volgorde):

Sluit aan bij internationale best-practices

Alleen ga je sneller, maar samen kom je verder. Door aan te sluiten op internationale ontwikkelingen profiteer je van oplossingen die wereldwijd bedacht worden. Ook is Europese regelgeving van steeds groter belang voor de Nederlandse overheid.

Sluit aan bij bestaande ontwikkelingen.

De strategie raakt vele partijen en systemen en kan niet in een keer als iets nieuws worden ingevoerd. Kijk daarom goed naar wat er op het gebied van standaardisatie en authentieke registraties gebeurt en maak daar maximaal gebruik van.

Houd rekening met afwijkende strategieën.

Ook als er systemen worden gemaakt die om wat voor reden dan ook niet de nationale strategie volgen, moet hiermee gelinkt kunnen worden.

Houd het zo simpel mogelijk, maar niet simpeler.

Bij een te complexe benadering zal de strategie niet of onvoldoende worden toegepast, bij een te eenvoudige benadering zal de strategie niet voldoende opleveren.

Persistentie.

Persistentie betekent dat oplossingen ook stand houden als de organisatie eromheen wijzigt. Ook al moeten we accepteren dat we nog niet alles weten en dat voortschrijdend inzicht tot andere keuzes kan leiden. Persistentie betekent niet voor de eeuwigheid, maar een onderneming of instantie moet er wel bedrijfskritische systemen op durven te ontwikkelen.

Schaalbaarheid.

Schaalbaarheid is van belang om beheerkosten te kunnen blijven overzien, ook als toepassingen groeien. Het is onvoorspelbaar hoeveel applicaties er de komende jaren zullen ontstaan. Elk onderdeel van de strategie zal dan ook schaalbaar moeten worden opgezet.

Begrijpelijkheid.

Begrijpelijkheid is noodzakelijk om te zorgen dat afspraken makkelijk worden opgepakt en overgenomen.

Vertrouwen.

Vertrouwen is nodig om organisaties te bewegen om zelf strategisch te kiezen voor het gebruik en publicatie van linked data.

Machine-leesbaarheid.

Machine-leesbaarheid zorgt ervoor dat er met linked data ook werkende oplossingen kunnen worden gebouwd.

Menselijke leesbaarheid

Menselijke leesbaarheid is ook belangrijk om te zorgen dat men oplossingen vertrouwt en begrijpt. Maar als de machine de data niet goed gebruiken kan, dan werkt het überhaupt niet.

4.1.4 URI-Patroon

Om te komen tot een nationale URI-strategie zijn we uitgegaan van de specificatie van de internationale best practices in drie bronnen:

  1. De Inspire richtlijn, die een nationale strategie voorschrijft voor URIs voor geo-informatie met de aanbeveling om deze geo-strategie te verbinden met een generieke nationale strategie [INSPIRE]
  2. Designing URI sets for the UK Public Sector. Een aanbeveling van de Britse overheid die voorlopers zijn op het gebied van het publiceren van Linked Open Overheids-Data [URI-SETS]
  3. 10 Rules for persistent URIs. Een veelomvattend rapport van de EU met vergelijkbare initiatieven en een waardevol overzicht van de laatste best-practices [10RULES]

In navolging van deze drie bronnen ligt het voor de hand om http-URIs te gebruiken. In alle drie de strategieën wordt uitgegaan van nadere afspraken over het te gebruiken patroon om de http-URI op te bouwen. Het patroon voor http-URIs dat in deze bronnen wordt aanbevolen - en dat wij daarom overnemen - is:

http://{domain}/{type}/{concept}/{reference}

We behandelen de vier onderdelen hierna één voor één.

4.1.5 URI-Patroon {domain}

Het {domain} deel bevat het internet domein en eventueel een pad binnen dat domein:

{domain} = {internet domain}/{path}.

Het {domain} dient twee doelen. Ten eerste is het een belangrijk instrument om unieke identificaties te verkrijgen: twee objecten die beheerd worden in twee verschillende databases, kunnen toevallig dezelfde identificatie krijgen (bijvoorbeeld een kadastraal perceel met id 010101 en een rechtspersoon met id 010101). Als nu zowel het Kadaster als het Nieuw HandelsRegister (NHR) besluit om deze objecten als linked data te publiceren, worden er toch twee unieke URIs gevormd: de een begint bijvoorbeeld met http://brk.nl/ en de ander met http://nhr.nl/. Ten tweede zorgt een goedgekozen domein voor herkenbaarheid en vertrouwen. Kadastrale percelen met een URI als

http://data.brk.nl/perceel/010101 hebben een betrouwbaarder uitstraling dan bijvoorbeeld http://data.vindhethier.eu/perceel/010101..

Het {path} kan worden gebruikt als binnen een register verschillende verzamelingen objecten leven, waarbij dubbele id's kunnen voorkomen. Het {path} kan dan gebruikt worden om extra namespaces te creëren.

Aanbevelingen

1. Eén taak: het register. Het {domain} is bij voorkeur exclusief gereserveerd voor publicatie van het register en het resolven van de URIs van het register. Als het domein namelijk een onderdeel is van een uitgebreider domein, waarop ook nog andere publicaties plaatsvinden, dan kan er vroeger of later sprake zijn van de noodzaak tot her-organisatie van de publicaties, met alle gevolgen van dien voor de persistentie van de URIs in het register.

Het idee om voor de overheid een centraal domein beschikbaar te stellen voor URIs (zoals de Britse overheid dat ooit opperde https://www.gov.uk/government/publications/designing-uri-sets-for-the-uk-public-sector) hebben we na uitgebreide afweging verworpen. Deze benadering is afhankelijk van een centrale voorziening die weer door een partij moet worden beheerd. De houders van de registers zouden op die manier afhankelijk worden van deze partij om hun URIs te kunnen munten volgens de URI-strategie. Een centraal register van registers mag dus nooit een onmisbaar onderdeel van het stelsel worden. De registerhouders moeten volledig zelfstandig kunnen beschikken over het domein van hun register. Zie ook [ISSUE2]

2. Geen organisatienaam in het {domain}. Het is sterk af te raden om in het {domain} een organisatienaam op te nemen, hoe verleidelijk dat ook vanuit marketing oogpunt kan zijn. Opnieuw is persistentie hierbij het belangrijkste argument. Organisaties kunnen immers gesplitst, gefuseerd, of hernoemd worden en zij krijgen dan doorgaans een nieuwe naam en kiezen een nieuw internetdomein. Het hernoemen van de URIs verstoort de persistentie. Het blijven gebruiken van het oude domein – iets waar puur technisch niets op tegen zou zijn – kan echter de indruk wekken dat de data ook verouderd is. Registers zullen over het algemeen blijven bestaan zolang ze een bepaald nut dienen. Als het register toch wordt opgeheven of overgaat in een nieuw register, dan zijn de modellen en referentieobjecten in het oude register doorgaans ook uit de tijd.

3. Terughoudend met {path}. Probeer het gebruik van {path} zo veel mogelijk te vermijden. Hoe korter de URI, hoe handiger in gebruik. Hoe minder informatie in de URI, hoe kleiner de kans dat er later op teruggekomen moet worden.

4.1.6 URI-patroon: {type}

Het {type} geeft aan om wat voor soort URI het gaat. Dit kan zijn:

Aanbevelingen

1. Gebruik 303 redirect van de 'id'-URI naar de 'doc'-URI. In sectie 4.2 van 'Cool URIs for the Semantic Web' [COOLURIS] wordt uitgelegd hoe dit bedoeld is.

2. Gebruik Hash-URIs voor termen uit het model. In een linked data applicatie is het onderscheid tussen model en content soms moeilijk te maken. In een relationele database is dat onderscheid doorgaans duidelijker: tabellen en kolommen geven het model aan en de inhoud van de tabellen vormen de content. In Linked Data kun je echter een klasse ook beschouwen als een instance (namelijk van de klasse rdfs:Class). Om de gebruiker van een register meer duidelijkheid te verschaffen over welke termen echt tot het model behoren en welke termen gezien kunnen worden als inhoud van het register, verdient het aanbeveling om de URIs van de eerste als hash-URI (#-URI) te definiëren: http://{domain}/def#{term}. Dit heeft als bijkomend voordeel dat de URI http://{domain}/def alle termen uit het model oplevert. In sectie 4.1. van 'Cool URIs for the Semantic Web' [COOLURIS] wordt uitgelegd hoe dit bedoeld is.

4.1.7 URI-patroon: {concept}

Het {concept} geeft de menselijke lezer van de URI (bijvoorbeeld een ontwikkelaar) een indicatie van het concept waartoe het ding behoort dat door de URI wordt identificeert. Het {concept} is belangrijk om twee redenen. Ten eerste kan het een uitkomst bieden als objecten binnen de registratie geen unieke identifiers hebben, maar wel uniek zijn per soort concept. Bijvoorbeeld ‘gemeente’ Utrecht en ‘provincie’ Utrecht. Ten tweede, en dit is belangrijker, levert het een begrijpelijker URI op. Een menselijke lezer kan vermoeden dat http://bagregister.nl/id/pand/01010101 de URI van een pand uit de BAG is.

Een mogelijk nadeel van het opnemen van {concept} in de URI is dat hiermee betekenis in de URI wordt opgenomen, terwijl betekenisloze IDs over het algemeen eenvoudiger persistent te maken zijn.

Aanbevelingen

1. {concept} betekent niets voor de machine, alleen voor de mens. Het is zeer onverstandig om {concept} enige betekenis toe te kennen voor de machine. URIs zijn in technische zin opaque [AXIOMS]. Het is dus niet zo dat het {concept} per se de klasse is waartoe een object behoort. Het helpt alleen de menselijke lezer, bijvoorbeeld de beheerder van een semantisch model, om de URIs te herkennen. [[COOLURIS]] en [[URISTYLE]]

2. Denk ook bij het kiezen van {concept} aan persistentie. Als het in een registratie denkbaar is dat objecttypen (klassen) van naam veranderen, maar dan nog wel dezelfde klasse vertegenwoordigen, is het niet verstandig dit onderdeel in de URI op te nemen. Neem in dat geval een hogere klasse op. Volgens sommigen betekent het veranderen van het type van een instance per definitie dat er niet langer sprake is van dezelfde instance, maar van een andere instance, van het andere type. Voorbeeld: stel dat het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA) wordt omgevormd van zelfstandig bestuursorgaan (zbo) naar agentschap. [KST-33042-21] En dat we als URI van het COA zouden kiezen voor: {domein}/id/zbo/coa. Dan wordt dat na de omvorming {domein}/id/agentschap/coa. Zouden we kiezen voor {domein}/id/organisatie/coa dan hoeven we de URI niet aan te passen, maar kunnen we met de URI ook geen onderscheid meer maken tussen de COA als ZBO en de COA als agentschap en moeten we dat onderscheid in andere data vastleggen.

4.1.8 URI-patroon: {reference}

De {reference} is de identificerende naam of code van het individuele object. Wat betreft {reference} geeft de URI strategie veel vrijheid, aangezien de eisen in verschillende toepassingen sterk uiteen kunnen lopen. Een {reference} kan zijn: een identificerend nummer, een alfanumerieke code, een woord of naam, etc. Elk register heeft wel een manier om de individuele objecten in de verzameling uniek aan te duiden. Deze unieke aanduiding kan worden opgenomen in de {reference}.

Aanbevelingen

1. Namen of nummers? Er is vaak discussie over het gebruik van 'betekenisloze' identifiers versus 'betekenisvolle' identifiers. Zolang computers geen bewustzijn hebben is elke URI voor de machine een betekenisloze string. Voor mensen kan ook een betekenisloze string betekenis krijgen. “020” wordt veel gebruikt door mensen die het label “Amsterdam” of “Ajax” niet willen uitspreken, “013” (Tilburgs poppodium), “9292” (OV-informatie), “nummer 14” (Johan Cruijff). Namen of nummers, voor beiden is wat te zeggen. Nummeren heeft als voordeel dat het nauwkeuriger lijkt en er geen homoniemen voor kunnen komen. Maar je verliest herkenbaarheid en hanteerbaarheid voor mensen, als je dan niet steeds de labels bij de hand te hebt.

In de praktijk zijn de URIs voor de concepten in vrijwel alle semantische standaarden betekenisvol en bevatten zij doorgaans het volledige label (naam) waarmee de term voor de mens wordt aangeduid (meestal als CamelCase geschreven zodat er geen spaties in voorkomen).

Bij grote aantallen objecten wordt het ondoenlijk om voor elk object een herkenbare unieke naam te bedenken. We gaan dan - vrijwel vanzelf - nummeren.

Tussen deze twee uitersten zit een grijs gebied. Voor kleine, stabiele sets met objecten (bijvoorbeeld provincies) is het voordelig om de hele naam in de URI op te nemen. Bij iets grotere sets, met meer mutaties, komen vaak lange namen voor die de URI onhandelbaar maken. Het kan dan een oplossing zijn om afkortingen in de URI te gebruiken.

2. Vermijd vreemde tekens in een URI. Het beste is om zich te beperken tot onderkast (lowercase) letters, cijfers, en een koppelteken (“-“) als scheidingsteken.

4.2 Begrippenkader

Begrippen maken duidelijk welke ‘onderwerpen van gesprek’ er bestaan: over welke actoren, objecten en gebeurtenissen er wordt er gesproken. Al deze begrippen worden formeel gedefinieerd, waarbij iedere definitie wordt opgebouwd volgens strikte regels. De essentie is dat elk begrip wordt uitgelegd in termen van andere begrippen, totdat uiteindelijk elk begrip is gedefinieerd. Om te voorkomen dat dit proces nergens eindigt wordt gestopt bij begrippen waarvan de betekenis als vanzelfsprekend wordt aangenomen. In een logisch model worden dit axioma's genoemd. In het begrippenkader zijn dit de begrippen die in het model niet worden gedefinieerd.

4.2.1 Model

Specialisatie en generalisatie

Iedere definitie heeft een duidelijke opbouw, namelijk ‘Een {te definiëren begrip} Is een {ander begrip} dat...’. Bijvoorbeeld in de context van het Kadaster: ‘Een zakelijk recht is een recht dat..’ Een recht is een typisch voorbeeld van een basisbegrip ofwel een axioma in het model. Dit kan juridisch worden uitgelegd, maar voor een leek zal die niet meer duidelijkheid geven dan het besef dat het bij het Kadaster net als bij elke overheidsorganisatie om het vastleggen en bewaken van rechten en plichten gaat.

Het definiëren van een begrip in termen van een ander begrip kan op twee manieren:

In het eerste geval gaat het om een specialisatie. In het tweede geval gaat het om een generalisatie. Een voorbeeld van een specialisatie is het hierboven genoemde ‘zakelijk recht’ dat een specialisatie is van ‘recht’. Je moet eerst het begrip ‘recht’ begrijpen om te begrijpen wat een ‘zakelijk recht is’.

Een voorbeeld van een generalisatie is het begrip ‘persoon’ bij de overheid. Dit is een generalisatie van ‘natuurlijke persoon’ en ‘rechtspersoon’. Een natuurlijk persoon is een mens in zijn juridische betekenis. Juristen formuleren dat dan in de trant van ‘in zijn hoedanigheid als drager van rechten en plichten’. Een rechtspersoon is een organisatie, die ook drager van rechten en plichten is. In dit geval moet je eerst de begrippen ‘natuurlijk persoon’ en ‘rechtspersoon’ begrijpen om te begrijpen wat een ‘persoon’ is.

Bestaat uit en is onderdeel van

Soms komt het voor dat een bepaald begrip bestaat uit onderdelen van andere begrippen. Deze constructie heeft een opbouw vergelijkbaar met een specialisatie of generalisatie:

Een {begrip} bestaat uit een {een ander begrip} en een {nog een ander begrip} en..

Een voorbeeld is het begrip ‘adres’ in de BAG. Dit wordt gedefinieerd als: “Een adres is een .. bestaande uit de naam van een openbare ruimte, een nummeraanduiding en de naam van een woonplaats”. Om te begrijpen wat een adres betekent moet je begrijpen wat een ‘openbare ruimte’ is, wat een ‘nummeraanduiding’ is en wat een ‘woonplaats’ is.

Ook het tegenovergestelde komt voor. Een begrip kan onderdeel zijn van een ander begrip. Deze constructie ziet er als volgt uit:

Een {begrip} is een onderdeel van een {een ander begrip} dat..

Een voorbeeld is het begrip ‘vestiging’ in het NHR. Dit wordt gedefinieerd als ‘Een vestiging is een onderdeel van een maatschappelijke activiteit dat..’. Om dit te begrijpen moet je eerst begrijpen wat een maatschappelijke activiteit is.

Semantische relatie

Tot slot kan een begrip betrekking hebben op een ander begrip. Dat heet een semantische relatie. Deze constructie komt vaak voor in combinatie met een specialisatie en ziet er dan als volgt uit:

Een {begrip} is een {een ander begrip} dat betrekking heeft op {nog een ander begrip}..

Een voorbeeld is het eerder genoemde begrip ‘zakelijk recht’ bij het Kadaster. De volledige definitie daarvan is ‘Een zakelijk recht is een .. recht op een zaak..’. In dit geval moet je ook begrijpen wat een ‘zaak’ is om het begrip ‘zakelijk recht’ te begrijpen.

Intensionele en extensionele definities

De klassieke definitieleer onderscheidt intensionele en extensionele definities.

In taxonomieën zijn specialisatie en generalisatie tegenovergesteld, dat wil zeggen als A een specialisatie van B is, is B een generalisatie van A. Dat geldt ook voor de “bestaat uit” relatie en de “onderdeel van” relatie. Als een adres is opgebouwd uit onder andere een straatnaam, dan is een straatnaam onderdeel van een adres. Maar als je het begrip adres definieert als iets dat is opgebouwd uit een straatnaam, huisnummer, etc. en een straatnaam als onderdeel van een adres, leidt dat tot een cirkelredenering. Om cirkelredeneringen te voorkomen volgen we daarom strikt de definitie-volgorde van de bron.

Bronvermelding

Het is van belang dat voor elk begrip een bronverwijzing (liefst een juridische) wordt gevonden, waarmee duidelijk wordt welk begrip bedoeld wordt.

4.2.2 Definities en klare taal

De formele definitie is typisch ontleend aan de wet of aan vakliteratuur. Dit is vaak in een begrippenkader dat alleen door ingewijden in het betreffende jargon is te begrijpen. Daarom is meestal een vertaling naar ‘klare taal’ nodig om een begrip ook voor niet-ingewijden duidelijk te beschrijven. Klare taal bevat uitsluitend woorden die door 95% van de mensen worden begrepen. Klare taal is altijd expliciet (‘klaar’). Het bevat geen impliciete duidingen. Er staat gewoon wat er staat, niets meer en ook niets minder. Bij het uitleggen in klare taal worden de volgende richtlijnen gebruikt:

De klare taal uitleg verbindt vakjargon met het begrippenkader dat we als gewone mensen met elkaar gemeen hebben. Bovendien wordt via het begrip ook de link gelegd met de administratieve registratie.

Er is voor gekozen om een volledig eigen vocabulaire op te bouwen. De reden hiervoor is om vrijheid te behouden in de precieze betekenis die we aan het model willen geven, in het bijzonder vanwege het axiomatisch stelsel. Zo zijn in SKOS de termen ‘broader’ en ‘narrower’ gespiegeld, waardoor cirkelredeneringen mogelijk worden. BP4mc2 verwijst zo veel mogelijk naar standaard vocabulaires. Daardoor kunnen applicaties die deze standaard vocabulaires ‘begrijpen’ al heel veel van de samenhang van de in BP4mc2 gedefinieerde begrippen ‘begrijpen’. De volgende standaarden worden gebruikt:

skos

http://www.w3.org/2004/02/skos/core#

rdfs

http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#

dc

http://dublincore.org/documents/dcmi-terms/

owl

http://www.w3.org/2002/07/owl#

lifecycle

http://vocab.org/lifecycle/schema

ro

http://www.obofoundry.org/ro/

Het volledige begrippenkader met het bijbehorende vocabulaire is weergegeven in de onderstaande tabel.

Eigenschap

Afgeleid van

begrip

skos:Concept

naam

skos:prevLabel

domein

skos:inSchem

definitie

skos:definition

uitleg

rdfs:comment

toelichting

skos:scopeNote

rationale

skos:editorialNote

synoniem

skos:altLabel

bron

dc:source

specialisatie van

skos:broader

generalisatie van

skos:narrower

onderdeel van

ro:part_of

bestaat uit

ro:has_part

gerelateerd aan

skos:semanticRelation

zie ook

skos:related

lijkt op

skos:relatedMatch

gelijk aan

skos:exactMatch

exact gelijk aan

owl:sameAs

4.2.3 meta-eigenschappen

Naast deze eigenschappen, kent de beschrijving van het begrip ook nog enkele specifieke meta-elementen. Deze meta-elementen helpen bij vastleggen en ondersteunen van het proces voor het beschrijven van een begrip. De meta-elementen zijn:

Eigenschap

Afgeleid van

status

lifecycle:status

verificatie annotatie

skos:editorialNote

validatie annotatie

skos:editorialNote

wijzigingsnotitie

skos:changeNote

4.2.4 Grafische representative

Een triple wordt vaak afgebeeld als een gerichte graaf: twee bolletjes (voorstelling van subject en object) die met elkaar verbonden zijn met een pijl die het ‘predicate’ voorstelt. Als het object zelf niet gebruikt wordt om verder door te verwijzen (omdat het geen URI is, maar een vaste waarde, een ‘literal’, dan wordt vaak in plaats van een bolletje een rechthoek gebruikt.

Wij sluiten aan op deze conventie. Daarbij onderscheiden wij verschillende pijlen die de verschillende relaties in het axiomatisch begrippenstelsel representeren. Daarbij hebben we ervoor gekozen om de beeldtaal zo veel mogelijk te laten lijken op UML, om een plaatje te kunnen maken dat herkenbaar is voor de meeste informatici en op hoofdlijnen ook juist begrepen kan worden.

Toch zijn er belangrijke verschillen die tot verwarring kunnen leiden als ons model ook echt als een UML model wordt ‘gelezen’. Dit is niet bedoeling. Het begrippenmodel is geen UML, en als de finesses van het model begrippen moeten worden, dan is het belangrijk om de verschillen goed te begrijpen. De belangrijkste verschillen zijn:

Daarmee komen we tot onderstaande conventies voor een grafische representatie van een axiomatisch begrippenstelsel.

Gerelateerd aan

Een gestippelde lijn met pijlpunt geeft aan dat een begrip voor zijn betekenis afhankelijk is van een ander begrip.

Generalisatie van

Een vaste lijn met pijlpunt geeft aan dat een begrip een generalisatie is van een ander begrip.

Specialisatie van

Een vaste lijn met open pijlpunt geeft aan dat een begrip een specialisatie is van een ander begrip.

Bestaat uit

Een vaste lijn met een open ruit geeft aan dat een begrip bestaat uit een ander begrip (open ruit aan de kant van het ‘geheel’)

Onderdeel van

Een gestippelde lijn met pijlpunt en een open bolletje geeft aan dat een begrip onderdeel is van een ander begrip (open bolletje aan de kant van het ‘onderdeel’)

4.2.5 Voorbeeld

Een op deze manier uitgewerkt voorbeeld van het model van de BAG is te vinden op http://bag.kadaster.nl . Dit voorbeeld is beschikbaar als html webpagina, in turtle en als grafische representatie.

Dit voorbeeld laat ook mooi zien hoe de uri-strategie werkt. Wanneer in de browser de ‘vraag’ http://bag.kadaster.nl/id/begrip/Nummeraanduiding wordt ingetoetst, geeft de achterliggende linked data store "some usefull information" terug via de webpagina http://bag.kadaster.nl/doc/begrip/Nummeraanduiding en toont de bij dit begrip behorende informatie.

4.3 Gebeurtenissen

4.3.1 Model

Gebeurtenissen hebben dezelfde kenmerken als begrippen die objecten aanduiden, maar hebben ook nog enkele andere kenmerken. Gebeurtenissen zijn alleen van belang als ze betrekking hebben op een object dat onderdeel uitmaakt van de registratie. Gebeurtenissen maken de dynamiek van een registratie zichtbaar. Om te begrijpen wat er is veranderd in een registratie helpt het om te zien wat er is gebeurd.

Omdat het begrippenkader is gebaseerd op een institutionele bron gaat het daarbij nog steeds om institutionele gebeurtenissen, bijvoorbeeld rechtshandelingen. Deze hebben altijd een aanleiding in de natuurlijke werkelijkheid. Institutionele gebeurtenissen zijn, zoals in de denkwijze aangegeven, onderdeel van de institutionele werkelijkheid en kennen daarmee vaak één of meerdere actoren, bijvoorbeeld de verkoper en de koper bij de overdracht van een huis. En niet iedereen is bevoegd om een institutionele gebeurtenis vast te leggen. Dat gebeurt door een beëdigd ambtenaar of door een notaris. Dit wordt een ‘agent’ (in de Engelse betekenis van het woord) genoemd. Tot slot zijn er de regels waaraan voldaan moet zijn voordat het feit kan plaatsvinden, de voorwaarde en de regels waaraan het resultaat van de gebeurtenis voldoet, de eindsituatie.

Bij het definiëren van begrippen worden de volgende richtlijnen gebruikt:

4.3.2 Gebeurtenis

Een gebeurtenis kent, naast de eigenschappen van een begrip, de volgende eigenschappen:

Eigenschap

Afgeleid van

actor

BP4mc2 specifiek

agent

BP4mc2 specifiek

object

BP4mc2 specifiek

aanleiding

BP4mc2 specifiek

voorwaarde

BP4mc2 specifiek

eindsituatie

BP4mc2 specifiek

tijdsaspecten

BP4mc2 specifiek

De beschrijving van de gebeurtenis kent dezelfde meta-elementen als de beschrijving van begrippen.

Een gebeurtenis is gerelateerd aan één of meerdere actoren, objecten en/of agenten. Actoren, objecten en agenten kunnen worden beschreven als ‘gewone’ begrippen.

4.3.3 Voorbeeld

Een op deze manier uitgewerkt voorbeeld van het model van de BRK is te vinden op http://brk.kadaster.nl/id/begrip/Overdracht_eigendom . Ook dit is beschikbaar in turtle, als html webpagina en als grafische representatie.

4.4 Datamodel

De registratie zelf bevat data. Deze wordt vastgelegd conform een datamodel waarin dataklassen, eigenschappen e.d. worden beschreven. Dat kan een klassiek relationeel datamodel zijn dat typisch wordt vastgelegd in UML, bijvoorbeeld conform het best-practices metamodel. Het kan ook een ontologie zijn die één op één uitwerking is van het begrippenmodel.

4.4.1 Vertaling begrippenkader naar een relationeel datamodel

Het begrippenkader is bruikbaar om met domeineigenaren en data afnemers te communiceren over de inhoud van een registratie. Het vertalen van dit begrip naar een samenhangend datamodel is het werkveld van de data architect. Een datamodel kan worden opgevat als een ontwerp van een structuur waarin data over de begrippen in het semantische model kunnen worden opgeslagen. Het onderstaande model is een metamodel voor een relationeel model dat is gebaseerd op het metamodel dat is ontwikkeld in de werkgroep ‘best practices basisregistraties’. Dit metamodel is gebaseerd op het RSGB metamodel. Het model bevat objectklassen, attribuutklassen, gegevensgroepen (een set samenhangende attribuutklassen) en relatieklassen.

Met behulp van onderstaand vocabulaire wordt een klassiek relationeel model dat is gemaakt op basis van het RSGB metamodel één op één vertaald naar een rdf beschrijving. Het model blijft natuurlijk gewoon relationeel, maar de beschrijving van de data (in UML de ‘classes’) in het relationele systeem komt hiermee beschikbaar als linked data en kan daardoor worden verbonden met de beschrijving van andere data.

Een op deze manier uitgewerkt voorbeeld van het model van de BRK is te vinden op http://brk.kadaster.nl/def/gegevenselement/AdresseerbaarObject#hoofdadres . Dit voorbeeld is beschikbaar als html webpagina, in turtle en als grafische representatie.

Dit voorbeeld laat ook mooi zien hoe de uri-strategie voor het beschrijven van een datamodel werkt. Het intypen van bovenstaande URL zal leiden tot de weergave van de pagina http://brk.kadaster.nl/def/gegevenselement/AdresseerbaarObject (het deel voor de "#"). Met andere woorden: de beschrijving van de entiteit "Adresseerbaar object".

4.4.2 Metadata

Metadata gaan over pragmatische zaken zoals de wijze waarop data worden ingewonnen, de kwaliteit (tijdigheid, betrouwbaarheid en volledigheid) en de status (authenticiteit) van data die over ‘het ding dat met een begrip wordt aangeduid’ worden vastgelegd. Metadata zijn nodig om reikwijdte en bruikbaarheid van data beter te begrijpen.

Metadata kunnen op verschillende niveaus worden vastgelegd. Metadata kan betrekking hebben op alle data van een bepaald type in de registratie, op data van een bepaald type die zijn verzameld gedurende een bepaalde periode maar ook op specifieke data. Het metagegeven ’wijze van inwinning’ wordt meestal per data-element gedefinieerd. Kwaliteitsmetingen kunnen worden gebaseerd op een audit over een bepaalde periode. En de BAG kent bijvoorbeeld het element ‘gebaseerd op proces verbaal’. Dat betekent dat data over een specifiek object zijn geconstateerd door iemand die ter plekke is gaan kijken en de administratieve werkelijkheid in overeenstemming heeft gebracht met natuurlijke werkelijkheid.

4.4.3 Waardelijsten

Een speciale categorie waarin informatie over begrippen wordt vastgelegd betreft waardelijsten. Waarden zijn termen die bepaalde, samenhangende begrippen aanduiden waaraan in verschillende toepassingen en soms zelfs bij verschillende organisaties wordt gerefereerd. Soms worden dit daarom ook referentiedata genoemd.

Elementen in een waardelijst worden stuk voor stuk aangeduid met een begrip in het begrippenkader. Een voorbeeld uit de BAG is het ‘gebruiksdoel’ van een ‘pand’. Dat kan ‘wonen’, ‘winkel’, ‘kantoor’, et cetera zijn. Semantisch betekent dit dat er verschillende soorten panden zijn, namelijk woonhuizen, winkels en kantoren. Om het datamodel overzichtelijk te houden is in de BAG de ontwerpkeuze gemaakt om 1 objecttype te definiëren. Dit heeft als attribuuttype ‘gebruiksdoel’, dat de waarden “wonen”, “winkel”, “kantoor”, et cetera in de waardelijst kan aannemen. Bijkomend voordeel is dat het datamodel niet hoeft te worden aangepast als er een gebruiksdoel bij komt. Dan hoeft alleen maar een nieuw element aan de waardelijst te worden toegevoegd.

4.4.4 Vertaling van het begrippenkader naar een owl/dl ontologie

De traditionele manier is om een datamodel te presenteren als entiteit-attribuut model (relationeel model of object model. Dergelijke modellen zijn ‘closed world’ modellen: het model veronderstelt dat de gegevens in het model niets meer betekenen dan wat oorspronkelijk bedoeld was met dit model. Een gegeven behoort bij een entiteit. Zo'n model zou je kunnen representeren als een letterbak: het maakt niet uit wat je er in stopt, maar linksboven horen de A's te zitten. Een andere eigenschap van een entiteit-attribuut model

is dat een attribuut slechts betekenis heeft als onderdeel van de entiteit. Zo heeft het attribuut "naam" pas betekenis als duidelijk is waar het attribuut bij hoort: woonplaats.naam, openbareRuimte.naam.

Een datamodel dat meer bij Linked Data past is een ontologie. Een ontologie kent een klasse-eigenschap model. Dergelijke modellen zijn ‘open world’ modellen: het model veronderstelt dat er eerst gegevens zijn, en dat vervolgens deze gegevens worden geclassificeerd. Meerdere classificaties op hetzelfde gegeven zijn daarbij gebruikelijk. Zo'n model zou je kunnen representeren als een ‘tag’: je begint met de gegevens, om ze vervolgens een of meerdere ‘tags’ te geven. Een andere eigenschap van een klasse-eigenschap model is dat een eigenschap op zichzelf betekenis heeft. Het is geen onderdeel van de klasse. Zo heeft de eigenschap "naam" al direct betekenis. Als er onderscheid nodig is tussen de naam van een woonplaats en de naam van een openbare ruimte, dan zijn twee eigenschappen nodig: woonplaatsnaam, naamOpenbareRuimte.

Waar de toepassing van SKOS gebruikelijk is voor het definiëren van begrippen, is het gebruik van OWL gebruikelijk bij het maken van een instantieerbare ontologie.

4.4.5 Grafische representative

Voor elke owl:Class wordt een elipse gebruikt. Voor elk owl:DatatypeProperty wordt een rechthoek gebruikt. Voor elk owl:ObjectProperty wordt een rechthoek met afgevlakte hoeken gebruikt. In bovenstaand voorbeeld is bovendien een kleurstelling gebruikt. Deze is vrij te kiezen..

Alle pijlen in het model hebben een richting:

Merk op dat het niet verplicht is dat een owl:objectProperty en een owl:DatatypeProperty een rdfs:range of rdfs:domein hebben. Zij kunnen dus ook los op zichzelf, of (bij objectproperties) slecht aan 1 kant verbonden zijn met een ander element.

4.4.6 Voorbeeld

Een op deze manier uitgewerkt voorbeeld van het model van de BAG is te vinden op http://bag.kadaster.nl/def/ontologie#AdresseerbaarObject . Dit voorbeeld is beschikbaar als html webpagina, in turtle en als grafische representatie.


5. Werkwijze

De werkwijze bij BP4mc2 bestaat grofweg uit vier fasen, te weten:

  1. Inventariseren en analyseren van de samenhang van begrippen
  2. Redigeren, valideren en verifiëren van begrippen
  3. Aanbrengen van samenhang tussen begrippen en het datamodel
  4. Publiceren

In elke paragraaf van dit hoofdstuk gaan we op een fase in.

Elk begrip kan zich in een andere fase bevinden. Wel is het gebruikelijk dat de fasen inventarisatie en analyse voor alle begrippen in een domein gelijktijdig wordt uitgevoerd. In het geval van een basisregistratie is het doel het inzichtelijk maken van de inhoud en de werking van die basisregistratie, inclusief de rationale daarachter. Omdat basisregistraties een wettelijke grondslag hebben is deze rationale in de regel juridisch.

5.1 Inventariseren

5.1.1 Bepalen van een basisset van te definiëren begrippen

Voor de meeste domeinen is er meestal wel een bron die gebruikt kan worden als een eerste basisset van te definiëren begrippen:

  1. De meeste moderne wetten of standaarden bevatten aan het begin een opsomming van de belangrijkste begrippen. Een voorbeeld hiervan is Artikel 1 van de wet op de BAG;
  2. Veel organisaties kennen een woordenlijst, glossary of woordenboek met de belangrijkste begrippen;
  3. Als er al een (logisch) datamodel bestaat voor het domein, dan kunnen de entiteiten, attributen en waardenlijsten gebruikt worden als eerste basisset.

Het is niet noodzakelijk om een strikte keuze te maken uit één van deze drie bronnen. Een combinatie is goed denkbaar. Het heeft de voorkeur om de wet in ieder geval als uitgangspunt te nemen voor de terminologie en de definities.

Indien in een complex domein een goed uitgewerkt datamodel voorhanden is, kan dit een nuttige aanvullende bron zijn. Bedenk wel dat het met enige argwaan bekeken moet worden: het datamodel is vaak ontstaan vanuit een ICT-blik met als doel om te komen tot de opslag en verwerking van data in de administratieve werkelijkheid. Het kan zijn dat de ontwerper van het datamodel gekozen heeft voor andere termen en andere structuren, dan de termen en structuren die daadwerkelijk in de institutionele werkelijkheid gebruikt worden in het domein.

Begrippen uit de wet

Een moderne wet begint vaak met een opsomming van de begrippen die in de wet worden gebruikt. Ook wordt daarbij vaak een definitie gebruikt. Deze definities en begrippen kunnen overgenomen worden. Van belang is om zo letterlijk mogelijk de term uit de wet over te nemen.

De wetgeving bestaat niet alleen uit de wet, maar kent een gelaagdheid. Zo kan de wet in formele zin verder ingevuld zijn via een algemene maatregel van bestuur, en vervolgens in ministeriële regelingen, plaatselijke verordeningen en beleidsregels van een uitvoeringsorganisatie. Het is van belang om deze structuur te volgen en ook de nadere detaillering mee te nemen. De meeste begrippen zullen vaak al wel in de wet benoemd zijn, maar voor de precieze invulling kan het noodzakelijk zijn om verder in de structuur te duiken.

Een voorbeeld hiervan is de Wet op de BAG. Hiervoor zijn de volgende bronnen relevant:

Deze laatste bron bevat eigenlijk al een hele mooie opsomming van alle begrippen, definities en hun samenhang. Niet in alle gevallen is het zo mooi uitgewerkt, maar in het geval van deze basisregistratie is veel van het ‘uitzoekwerk’ al gedaan.

Begrippen uit een glossary

Veel organisaties hebben wel een glossary of woordenlijst van een domein. Sterker nog: het is de ervaring dat er voor één domein vaak meerdere woordenlijsten bestaan in één organisatie. Vaak zijn deze woordenlijsten ontstaan vanuit een project of vanuit een specifieke context. Dat is niet erg, zolang duidelijk is welke woordenlijsten er allemaal zijn en wie de beheerder van een dergelijke woordenlijst is.

Van belang is om zo snel mogelijk alle woordenlijsten bij elkaar te plaatsen, zodat duidelijk is waar sprake is van synoniemen en homoniemen. Op basis van deze totaallijst kan dan in eerste instantie de juiste terminologie gekozen worden: welke termen als ‘naam’ (voorkeursterm) voor de uiteindelijk te definiëren begrippen zullen worden gebruikt, en welke termen als ‘synoniem’ worden bestempeld.

Alle definities die in de woordenlijsten voorkomen kunnen mooi gebruikt worden als suggesties voor de formele definitie. Vaak komt het voor dat in woordenlijsten eigenlijk geen formele definities staan, maar meer toelichtingen of aanvullende uitleg.

Bedenk dat elke definitie in dergelijke woordenlijsten vaak een uitleg is voor een specifieke doelgroep. Je kunt de definitie dan ook gebruiken als een toets of de uiteindelijke uitleg of definitie wel goed te begrijpen is voor deze doelgroep. Uiteindelijk is het de bedoeling dat er precies één formele definitie overblijft. Wel kunnen meerdere toelichtingen voor specifieke doelgroepen handig zijn.

De inventarisatie is afgerond als voor elke term uit de oorspronkelijke woordenlijsten is vastgesteld of deze term als naam voor een begrip gebruikt wordt, een synoniem is van een begrip of terzijde wordt geschoven als (voorlopig) niet relevant voor de basisset.

Begrippen uit een datamodel

De meeste organisaties kennen voor een specifiek domein een datamodel. Daarin worden alle objecten, attributen en relaties uit de registratie benoemd. Voor de BRK is hiertoe bijvoorbeeld de documentatie van het InformatieModel Kadaster (IMKAD) gebruikt.

Waarden uit waardelijsten, met namen van ‘soorten’, ‘typen’ of ‘klassen’, zijn erg relevant voor de basisset van begrippen. Dergelijke waardelijsten bevatten vaak juridisch relevante begrippen, die “uit” het datamodel zijn gehaald op grond van normalisatieregels.

Elke naam van een objectklasse wordt een naam voor een begrip. Ook elke naam van een attribuutklasse wordt een naam van een begrip. Daarbij kan het voorkomen dat de naam van de attribuutklasse aangepast moet worden. Datamodel-specifieke attribuutklassen (vaak met namen als “id”, “code”, “type”, “soort”, “klasse”) worden weggelaten. Let op het belangrijke verschil tussen de letterlijke naam ”type” in deze alinea en het begrip ‘typen’ in de vorige alinea. Namen van relaties worden in principe ook namen van begrippen, hoewel de naam van de rol die een objectklasse in een relatie vervult vaak een betere naam is voor een begrip.

De relaties in een datamodel geven richting aan de relaties tussen begrippen. Ook hier is enige argwaan op zijn plaats: relaties tussen twee objectklassen zijn soms administratief van aard, en drukken dan in mindere mate de betekenisafhankelijkheid tussen twee begrippen uit. Uiteindelijk is het belangrijker wat de definitie van een begrip wordt, dan dat alle relaties uit het datamodel worden overgenomen.

Bij het definiëren van een begrippenstelsel op basis van een datamodel kunnen de volgende aanbevelingen worden gebruikt.

5.1.2 Bepalen basisset van te definiëren gebeurtenissen

Voor het vaststellen van de relevante gebeurtenissen, is het handig om uit te gaan van de levenscycli van de verschillende begrippen uit de basisset begrippen.

Niet alle begrippen hebben een levenscyclus. Er zijn begrippen die specifiek een ‘aard’ of ‘omstandigheid’ van een ander begrip beschrijven (zoals het begrip ‘bouwjaar’ uit de BAG geen eigen levenscyclus kent, maar een eigenschap is van een pand). Dergelijk begrippen kunnen voor het bepalen van de gebeurtenissen buiten beschouwen gelaten worden.

In sommige gevallen blijkt dat een gebeurtenis ook al als begrip is geïdentificeerd. Dit soort begrippen eindigen vaak op “ing”: betaling, vestiging, vergunningverlening. Dit soort begrippen worden uit de basisset begrippen gehaald, en direct geplaatst in de basisset gebeurtenissen.

Sommige begrippen kunnen worden gegroepeerd, aangezien zij dezelfde levenscyclus kennen of in de basisset al als “specialisatie van” of “generalisatie van” andere begrippen zijn geïdentificeerd.

Per groep begrippen met een unieke levenscyclus wordt vervolgens gekeken welke aanleidingen in de natuurlijke werkelijkheid leiden tot een aanpassing van de levenscyclus van het begrip. Voor een pand uit de BAG zijn dit bijvoorbeeld aanleidingen als “vergunning verleend voor bouw van een pand”, “bouw van het pand gestart”, “pand in gebruik genomen”.

Dit geeft uiteindelijk een volledig overzicht van alle relevante gebeurtenissen en de samenhang met de (groepen van) begrippen. Op het moment dat voor alle (groepen van) begrippen duidelijk is met welke gebeurtenissen de volledige levenscyclus wordt beschreven, is het model compleet.

Na het identificeren van alle gebeurtenissen, is het nog noodzakelijk om de gebeurtenissen te relateren aan de rest van het begrippenmodel. Dit kan overigens ook weer leiden tot nieuwe begrippen:

5.2 Redigeren, valideren en verifiëren

5.2.1 Redigeren: definiëren en documenteren

Per begrip en gebeurtenis worden de definitie en overige documentatie geredigeerd door een juridisch medewerker. Van belang is dat deze juridisch medewerker kennis heeft van het domein en de weg weet in de verschillende wetteksten (formele wet, algemene maatregelen van bestuur, ministeriële regelingen). In de praktijk blijkt een HBO opgeleide jurist met minimaal twee jaar ervaring in het domein effectief deze redactieslag kan uitvoeren.

5.2.2 Valideren

Om de redactiewerkzaamheden zo effectief mogelijk uit te kunnen voeren, is het van belang dat de redacteur geen verantwoordelijkheid hoeft te nemen voor de juridische juistheid. De redacteur voert zo goed mogelijk het proces uit dat is afgesproken en zorgt voor de juiste bronvermeldingen.

De verantwoordelijkheid voor de juridische juistheid ligt bij de domeineigenaar. Per organisatie en per domein kan dit verschillen. Bij de BRK is dit bijvoorbeeld letterlijk in de wet verankerd: de Bewaarder is verantwoordelijk. In andere gevallen kan dit complexer liggen en kan het nodig zijn om een specifieke persoon voor een specifiek domein aan te wijzen.

Doordat de domeineigenaar al een netjes uitgewerkt model krijgt, verloopt het valideren van de beschrijvingen relatief efficiënt. Degene die de validatie uitvoert mag zich beperken tot een “goed” of “niet-goed” oordeel, hoewel het vaak sneller gaat als degene die de validatie uitvoert zelf de verbetering doorvoert of even mondeling afstemt met de redacteur.

5.2.3 Verifiëren

Het ingevulde raamwerk moet niet alleen juridisch juist zijn, maar het moet ook passen in de overige raamwerken en in lijn zijn met de regels die gelden voor BP4MC2. Dit wordt geverifieerd door een medewerker met specifieke kennis op het gebied van kennistechnologie en semantiek. Deze detecteert onder andere cirkelredenaties en onvolledig of onduidelijke definities van begrippen.

5.3 Definiëren datamodel

Door eerst een begrippenkader te definiëren en daarna het datamodel te beschrijven kan het datamodel gebruik maken van dat begrippenkader. Een datamodel is een beschrijving van een structuur waarin data kunnen worden opgeslagen. Die data hebben betrekking op identificeerbare objecten in de natuurlijke, administratieve of institutionele werkelijkheid, bijvoorbeeld:

Er zijn twee alternatieven denkbaar voor de definitie van het datamodel:

  1. We beschrijven het bestaande relationele of object-georiënteerde datamodel van de basisregistratie. We proberen niet om de administratie aan te passen, en accepteren dat het huidige informatiesysteem vooral nog relationeel of object-georiënteerd is opgezet.
  2. We werken toe naar een volledige Linked Data administratie, waarbij de data uit deze administratie daadwerkelijk als Linked Data beschikbaar gesteld wordt en als ontologie beschreven is.

5.3.1 Beschrijven van een relationeel datamodel

Omdat alle begrippen om pragmatische redenen al waren afgeleid uit het datamodel is de relatie bekend tussen een begrip en het data-element waarin informatie wordt opgeslagen over een object van het type dat wordt aangeduid met dat begrip.

Definities van data-objecten krijgen dan de volgende vorm:

“Het entiteittype OpenbareRuimte bevat de data over objecten die worden aangeduid met het begrip OpenbareRuimte.”

Soms worden begrippen in een datamodel gegroepeerd en gegeneraliseerd. Dat leidt tot een definitie als:

“Het entiteittype AdresseerbaarObject is een generalisatie van de entiteittype Verblijfsobject, Ligplaats en Standplaats.”

Het begrip ‘adresseerbaar object’ komt in de wet niet voor, maar is in het datamodel opgevoerd als hulpmiddel om aan zowel verblijfsobjecten, ligplaatsen en standplaatsen een adres te kunnen toekennen, het is een zogenaamd ‘abstract datatype’, dat niet zichtbaar is in de natuurlijke, noch in de juridische werkelijkheid.

Een laatste categorie zijn begrippen die juridisch allemaal hun eigen betekenis hebben, maar in het datamodel geclusterd worden. Dit komt vooral voor in meer ingewikkelde registraties die al wat een langere geschiedenis hebben. Een voorbeeld zijn de rechten die worden vastgelegd in de BRK:

“Het datatype ZakelijkRecht bevat de data over objecten die worden aangeduid met de begrippen Eigendom, Opstal, Erfpacht, Vruchtgebruik,..”

5.3.2 Beschrijven van een ontologie

Voor de BAG is een vertaling gemaakt van het begrippenmodel naar een ontologie die hier direct op aansluit. Daarbij wordt de relatie tussen klassen, eigenschappen en begrippen 1 op 1:

Datamodellen omvatten ook data die betrekking heeft op de data in het datamodel zelf. Voorbeelden hiervan zijn: datum en tijdstip waarop een gegeven in de registratie is vastgelegd, wie het gegeven heeft opgevoerd en de geldigheid van het gegeven. We schetsen hier twee mogelijkheden om dit in een ontologie te modelleren:

  1. Reïficatie van de data. Dat wil zeggen dat alle uitspraken in het datamodel worden uitgewerkt tot afzonderlijke triples. Een letterlijke vertaling van een relationeel datamodel naar een Linked Data representatie zal zo’n type ontologie tot gevolg hebben. Het nadeel van zo’n datamodel is dat de omvang van de triple store hierdoor 3x zo groot wordt. Een ander nadeel is dat de SPARQL queries die nodig zijn om een dergelijk datamodel te bevragen veel ingewikkelder zijn.
  2. Gebruik maken van het feit dat triples onderdeel zijn van een graph. Dat wil zeggen dat alle triples die dezelfde “metadata” hebben ook in dezelfde graph worden gezet. Door deze graph een URI te geven (het wordt dan een ‘named graph’), kan extra data over de graph weer als ‘normale’ triples opgeslagen worden. Het nadeel van deze methode is dat hiervoor een quad store noodzakelijk is, en dit zal gaan leiden tot erg veel verschillende named graphs. Niet elke quad store is ingericht op een zeer groot aantal graphs.

Puur functioneel gaat onze voorkeur uit naar de tweede oplossing. Deze oplossing is in de praktijk ook al vaker ingezet (zie bijvoorbeeld: [JENI]). Het betekent wel dat de Linked Data representatie zal afwijken van de oorspronkelijke relationele beschrijving van het datamodel.

In de Linked Data representatie komt veel meer nadruk te liggen op de gebeurtenissen die aanleiding hebben gehad tot het wijzigen van de data in de administratie. Voor elk van deze gebeurtenissen wordt vastgelegd:

Door deze manier van modelleren blijkt bovendien dat er in termen van Linked Data eigenlijk geen “CRUD” meer bestaat, maar alleen nog “CR” (toevoegen en lezen). Het wijzigen van data komt neer op het toevoegen van een nieuwe versie, het verwijderen van data komt neer op het toevoegen van een uitspraak bij bepaalde gegevens dat deze niet meer actueel zijn.

Op deze wijze kan invulling gegeven worden aan het principe: “anybody can say anything about anything”. Maar bovendien wordt ook de integriteit van de uitspraken (de data) behouden: bij het vastleggen wordt ook vastgelegd wie de uitspraak deed, wanneer dit werd gedaan en vanuit welke context. Op die wijze is altijd helder welke data op een zeker moment in tijd en vanuit welke context de ‘correcte’ data is.

Een dergelijk manier van publiceren lijkt sterk op het idee van een datamodel zoals is ontwikkeld voor datawarehouses (datavault technologie, zie [DATAVAULT]) en voor sommige gedistribueerde database systemen (bijvoorbeeld Datomic, zie [DATOMIC]).

5.4 Publiceren

In principe wordt het semantisch raamwerk gepubliceerd met geverifieerde begrippen. Het is echter ook mogelijk begrippen met de status 'gevalideerd' en/of 'ter validatie' al vast te publiceren. De begrippen, gebeurtenissen en situaties worden gepubliceerd volgens de vocabulaire zoals beschreven in het voorgaande hoofdstuk.

Het datamodel wordt gepubliceerd volgens de vocabulaire die past bij de vorm waarin het datamodel is opgesteld:

Alle informatie wordt gepubliceerd als Linked Data. Naast het vaststellen van het juiste vocabulaire is de belangrijkste stap voorafgaand aan de daadwerkelijke publicatie het toepassen van de URI strategie.

5.4.1 Bepalen domeinnaam

De eerste stap in deze fase is het bepalen van een domeinnaam waarbinnen de data van een registratie worden gepubliceerd. De uitgangspunten en aanbevelingen voor een domeinnaam zijn in de paragraaf over de URI strategie beschreven, maar de praktijk is soms weerbarstiger.

Op basis van de uitgangspunten en aanbevelingen ligt voor de BAG een domein http://bag.nl voor de hand of http://bag.basisregistratie.nl. De meeste drieletterige domeinnamen die beginnen met een “b” blijken in Nederland echter geregistreerd bij bureaus die allerlei diensten verlenen, meestal op het gebied van financiële advisering of kredietbemiddeling. Ook de domeinnamen “basisregistratie.nl” is al geregistreerd door een dienstverlenend bedrijf.

In deze jungle van domeinnamen is het eigenlijk onmogelijk zomaar een domeinnaam te introduceren die het vertrouwen geeft dat deze de bron is van een authentieke registratie. De meest solide manier is het vastleggen van de domeinnaam die de authentieke bron representeert in wetgeving. Een voorbeeld is https://www.officielebekendmakingen.nl, waar alle officiële bekendmakingen van de overheid worden gepubliceerd. Deze domeinnaam is vastgelegd in artikel 1 van de Bekendmakingsregeling.

Voor de BAG is, in afwachting van een wetsaanpassing waarin een domeinnaam voor publicatie van de authentieke data wordt vastgesteld, gekozen voor een tussenoplossing. In de Wet Basisregistraties adressen en gebouwen staat in Hoofdstuk 4, artikel 26: ‘De Dienst (i.c. het Kadaster) houdt een geautomatiseerde landelijke voorziening waarin de data uit de in de

gemeenten gehouden adressenregistraties en de gebouwenregistraties zijn opgenomen.’ Daarom lijkt “http://bag.kadaster.nl/” op dit moment de meest bruikbare domeinnaam waaraan zichtbaar is dat het om de authentieke data uit de landelijke voorziening voor de BAG gaat.

5.4.2 type, concept en referentie toegepast op het begrippenkader

Alle in het begrippenkader gedefinieerde begrippen zijn ook concepten. Conform de URI-strategie krijgt ieder begrip een id en wordt de documentatie over een begrip via een 303-redirect gepresenteerd met een doc-URI.

5.4.3 type, concept en referentie toegepast op het datamodel

In de URI-strategie wordt aanbevolen data te definiëren met “def” URI-type.

5.4.4 type, concept en referentie toegepast op de data

In de URI-strategie wordt aanbevolen data te definiëren met het URI-type id.

5.4.5 Formuleren van de URI

De volgende best-practices gelden voor het formuleren van de URI:

De volgende best-practices gelden voor de redirect:


6 Ondersteuningswijze

6.1 Architectuur

Onderstaand figuur geeft een overzicht van de architectuur waarmee een linked data set kan worden gepubliceerd:

6.1.1 Triple store

De basis voor de opslag van linked data is een triple store. Een triple store is een database die specifiek is ingericht op het efficiënt opslaan en ontsluiten van data die als triples zijn geordend. De meeste triple stores zijn tegenwoordig eigenlijk een quad store. Een quad store is een triple store die het mogelijk maakt om ook de ‘context’, de graph op te slaan. Aan iedere triple wordt de graph als context toegevoegd, waardoor een quad (graph – subject – predicate - object) ontstaat.

6.1.2 SPARQL endpoint

Standaard kent een triple store de mogelijkheid om via een SPARQL-endpoint data op te vragen uit deze store. SPARQL (SPARQL Protocol and RDF Query

Language) is een door de W3C gedefinieerde zoektaal die gebruikt wordt om een triple store te bevragen via zoekopdrachten. Dit gebeurt met een standaard protocol op basis van een zogenaamde http RESTful service [GRAPHSTORE][SPARQL11].

In het voorbeeld van de BAG kan aan een SPARQL endpoint bijvoorbeeld de volgende vraag worden gesteld. Deze vraagt de gegevens op van het pand aan de Krankeledenstraaat 30 in Amersfoort:

Om zo’n vraag te kunnen stellen is toch wel wat gespecialiseerde SPARQL kennis nodig. Deze vraag levert ook een antwoord op dat een standaard SPARQL vorm heeft. Dit is niet de meest praktische vorm. Daarom is er een Linked Data API (application programming interface). Dit is een verzameling definities op basis waarvan een computerprogramma kan communiceren met de triple store.

6.1.3 Linked Data API

De Linked Data API is een voorziening die het mogelijk maakt om antwoord te geven op URLs en URL-Vragen naar linked data. Zo kun je direct in de browser de volgende relatief eenvoudige URL-vraag stellen:

http://bag.kadaster.nl/query/pand-aan?naamOpenbareRuimte=Krankeledenstraat&huisnummer=30&woonplaatsnaam=Amersfoort

Als deze vraag wordt gesteld vanuit de browser herkent de API dat en toont deze als antwoord een nette, in de gewenste huisstijl van de organisatie opgemaakte webpagina.

Het is ook mogelijk om een voor programmeurs aantrekkelijk protocol te gebruiken, namelijk RESTful services [REST] die JSON [JSON] retourneren. Daardoor hebben programmeurs niet (veel) kennis nodig van Linked Data om een app of programma maken waarin linked data wordt gebruikt.

De API biedt bovendien de mogelijkheid om autorisatie toe te passen op de getoonde informatie, zodat alleen geautoriseerde personen toegang hebben tot de gegevens. Dan zijn het niet meer open data, maar moet er bijvoorbeeld voor worden betaald of zijn bepaalde data niet voor iedereen toegankelijk.

De Linked Data API kent als interface een ‘normaal’ http endpoint. Dat betekent dat http GET requests afgehandeld worden door de Linked Data API. Voor de specificaties van de Linked Data API bestaan op dit moment twee varianten:

Door het aanbieden van een Linked Data API kunnen verschillende systemen aansluiten op de Linked Data API:

Het bepalen van de vorm waarin het resultaat wordt teruggegeven gebeurt via ‘content negotiation’.

6.2 Content negotiation

Het http protocol kent de mogelijkheid van ‘content negotiation’. Dit betekent dat op basis van de http-request header, de http server een andere ‘vorm’ van de webpagina zal teruggeven.

In bovenstaand plaatje is dit uitgebeeld. De URL http://bag.kadaster.nl/doc/pand/0307100000333887 kan hier op drie verschillende manieren worden weergegeven:

Overigens is het gebruikelijk om ook specifiek (los van de http-request header) een formaat op te vragen, door achter de URL een extensie toe te voegen die het formaat weergeeft. Zo geeft onderstaande URL-vraag een JSON response terug.

http://bag.kadaster.nl/query/pand-aan.json?naamOpenbareRuimte=Krankeledenstraat&huisnummer=30&woonplaatsnaam=Amersfoort

Bovenstaand figuur laat ook het http-303 redirect gedrag zien. Op grond van de richtlijnen uit de URI strategie zal de "id" URL leiden tot een http-303 redirect response. Dit leidt ertoe dat de browser opnieuw een pagina zal opvragen, in dit geval de "doc" URL.

6.3 Core vocabulaires

Voor sommige data zijn door de W3C, Inspire of andere instituten zogenaamde ‘core vocabularies’ ontwikkeld. Core vocabularies zijn beschikbaar voor ‘persoon’ en voor ‘adres’. Voor andere domeinen zijn core vocabularies in ontwikkeling.

Als de ontologie van de BAG wordt verbonden met vCARD of met het INSPIRE vocabulaire, hoeft een gebruiker, bijvoorbeeld een app, de interne structuur en begrippen van de BAG niet eens te kennen en kan deze rechtstreeks op basis van zo’n standaard vocabulaire data van de BAG (bijvoorbeeld de contour, het bouwjaar en de status van een pand) verbinden met data over dit pand van bijvoorbeeld de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCD) of met data uit DBpedia.

Literatuurlijst

[10RULES] 10 Rules for persistent URIs. Een veelomvattend rapport van de EU met vergelijkbare initiatieven en een waardevol overzicht van de laatste best-practices.
https://joinup.ec.europa.eu/sites/default/files/D7.1.3 - Study on persistent URIs_0.pdf
[AANW161] Aanwijzing 161
http://wetten.overheid.nl/BWBR0005730/Hoofdstuk4/411/Aanwijzing161
[AJAX] AJAX - Asynchronous Javascript and XML
http://en.wikipedia.org/wiki/Ajax_(programming)
[ANS] Algemene Nederlandse Spraakkunst
http://ans.ruhosting.nl/e-ans/index.html
[ANS-ZIN] Wat is een zin, Algemene Nederlandse Spraakkunst
http://ans.ruhosting.nl/e-ans/19/01/01/body.html
[APOO] Actieplan Open Overheid
https://data.overheid.nl/sites/data.overheid.nl/files/actieplan-open-overheid.pdf
[AXIOMS] opaque
http://www.w3.org/DesignIssues/Axioms.html#opaque
[COMPSAYSNO] Computer says no
https://www.youtube.com/watch?v=sX6hMhL1YsQ&index=8&list=RD0n_Ty_72Qds
[COOLURIS] Cool URIs for the Semantic Web
http://www.w3.org/TR/cooluris/#cooluris
[DATAVAULT] Wikipedia: Data Vault Modeling
http://en.wikipedia.org/wiki/Data_Vault_Modeling
[DATOMIC] Datomic website - Rationale
http://www.datomic.com/rationale.html
[DOMNAAM] Wikipedia: Domeinnaam.
http://nl.wikipedia.org/wiki/Domeinnaam
[EARREST] Elektriciteitsarrest
http://nl.wikipedia.org/wiki/Elektriciteitsarrest
[ECLI] Wikipedia: ECLI
http://nl.wikipedia.org/wiki/European_Case_Law_Identifier
[ECONIM] The economics of information management
http://pv.tl/blog/2014/04/13/the-economics-of-information-management/
[EENVWOORD] Woordenlijst taalniveau B1 op de website "zoek eenvoudige woorden"
http://www.zoekeenvoudigewoorden.nl
[FEIT] Wikipedia: Feit
http://nl.wikipedia.org/wiki/Feit
[GEGEVEN] Wikipedia: Gegeven
http://nl.wikipedia.org/wiki/Gegeven
[GRAPH] Directed graph
http://en.wikipedia.org/wiki/Directed_graph
[GRAPHSTORE] SPARQL 1.1 Graph Store HTTP Protocol
http://www.w3.org/TR/sparql11-http-rdf-update/
[HTTP] Hypertext Transfer Protocol
http://en.wikipedia.org/wiki/Hypertext_Transfer_Protocol
[INFONOMICS] Wikipedia: Infonomics
http://en.wikipedia.org/wiki/Infonomics
[INSPIRE] De Inspire richtlijn, die een nationale strategie voorschrijft voor URIs voor geo-informatie met de aanbeveling om deze geo-strategie te verbinden met een generieke nationale strategie.
http://inspire.jrc.ec.europa.eu/
[ISSUE2] Issue 2
http://www.pilod.nl/wiki/Boek/URI-strategie#Issue_2:_Herkenbaar_internetdomein
[JENI] Jeni’s Musings - Versioning (UK Government) Linked Data
http://www.jenitennison.com/blog/node/141
[JSON] JSON - JavaScript Object Notation
http://en.wikipedia.org/wiki/JSON
[JURICON] Juriconnect: Platform voor informatieuitwisseling en –standaardisatie in het juridisch domein.
http://juriconnect.nl/
[KINDREG] “Het partnerbegrip in de Awir wordt het criterium voor het recht op de alleenstaande-ouderkop in het kindgebonden budget. Dit leidt tot een verschuiving van de doelgroep ten opzichte van de huidige regelingen voor alleenstaande ouders.”
http://www.rijksoverheid.nl/bestanden/documenten-en-publicaties/kamerstukken/2013/09/03/uitvoeringstoets-belastingdienst-toeslagen-bij-wetsvoorstel-herziening-kindregelingen/13-6-2013-uitvoeringstoets-bd-t-alleenstaande-ouder-kop-op-kgb-per-01-01-2015-versie-def.pdf
[KST-33042-21] Kamerstuk 10-04-2013 over het COA
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-33042-21.html
[LDAPI] Linked Data API
http://code.google.com/p/linked-data-api/
[LDP] Linked Data Platform 1.0
http://www.w3.org/TR/ldp/
[LIKNSP] Linked knowledge space
http://www.pilod.nl/w/images/5/5c/Christophe_Gueret_Linking_Knowledge_Spaces.pdf
[LINKEDDATA] Linked Data Design Issues
http://www.w3.org/DesignIssues/LinkedData.html
[LITERAL] Wikipedia: Literal (computer programming)
http://en.wikipedia.org/wiki/Literal_(computer_programming)
[LIVAN] Liversidge versus Anderson
http://en.wikipedia.org/wiki/Liversidge_v._Anderson
[MSISD] Selligman, P.G. Wijers en H. Sol (1989): “Analyzing the structure of I.S. methodologies, an alternative approach”, in: “Proceedings of the first Dutch Conference on information systems” en Wijers, G. (1991): “Modelling support in information systems development”. Proefschrift Technische Universiteit Delft, Thesis Modelling support in information systems development.
http://resolver.tudelft.nl/uuid:959fa3b8-7557-41fa-9eae-043f9f03cadc
[ONTOMETA] Ontology, Metadata and Semiotics
http://www.jfsowa.com/ontology/ontometa.htm)
[OWL] OWL, Web Ontology Language
http://www.w3.org/OWL
[PROTOCOLS] Internet protocols
http://www.w3.org/Protocols
[RDF] Specificaties van RDF bij W3C
http://www.w3.org/RDF/
[RECHTPARA] o.a. Travis D. Breaux : Legal Requirements Acquisition for the Specification of Legally Compliant Information Systems,.Ph. D. Thesis, North Carolina State University, 2009 en R. van Kralingen : A Conceptual Frame-based Ontology for the Law, Proceedings of the First International Workshop on Legal Ontologies, 1997
[REFDATA] Master Data versus Reference Data
http://www.information-management.com/issues/20060401/1051002-1.html
[REST] Wikipedia: RESTful - Representational State Transfer
http://en.wikipedia.org/wiki/Representational_state_transfer
[RFC2616] http protocol-statussen
http://www.w3.org/Protocols/rfc2616/rfc2616-sec10.html
[RFC3986] RFC3986, URI specificities
http://tools.ietf.org/html/rfc3986
[RIJNSANT] Een nieuwe wereld, een nieuwe informatie architectuur
http://www.pilod.nl/wiki/Boek/RijnSantema
[ROSETTA] Steen van Rosetta
http://nl.wikipedia.org/wiki/Steen_van_Rosetta
[RULES] Business Rules Group - wat is een regel
http://www.businessrulesgroup.org/first_paper/BRG-whatisBR_3ed.pdf)
[SIDN] Domeinregistratie SIDN
http://www.sidn.nl
[SKOS] Simple Knowledge Organisation System
http://www.w3.org/skos
[SOAP] SOAP - Simple Object Access Protocol
http://en.wikipedia.org/wiki/SOAP
[SPARQL11] SPARQL 1.1 Protocol
http://www.w3.org/TR/sparql11-protocol/
[SS-GWIMT] Sesame Street - Guess who I met today
http://www.youtube.com/watch?v=ItcwsvWgIs0
[SS-TAAT] Sesame Street - Thought about a thought (big things)
http://www.youtube.com/watch?v=MnZ8yhamJgQ
[TURTLE] Turtle-syntax
http://en.wikipedia.org/wiki/Turtle_(syntax)
[URI] Wikipedia over URIs (Uniform Resource Identifier)
http://en.wikipedia.org/wiki/Uniform_resource_identifier
[URI-SETS] Designing URI sets for the UK Public Sector. Een aanbeveling van de Britse overheid die voorlopers zijn op het gebied van het publiceren van Linked Open Overheids-Data.
https://www.gov.uk/government/publications/designing-uri-sets-for-the-uk-public-sector
[URISTRAT] Hans Overbeek en Linda van den Brink, “Aanzet tot een nationale URI-Strategie voor Linked Data van de Nederlandse overheid”.
http://www.pilod.nl/wiki/Boek/URI-strategie
[URISTYLE] Hypertext Style: Cool URIs don't change
http://www.w3.org/Provider/Style/URI